Lege gesprekken: check Drugsgebruik: check

Taipei van de hippe Amerikaans/Taiwanese schrijver Tao Lin is vooral geestdodend saai // En taal kan het boek ook al niet redden // Het stikt van de lelijke zinnen

Op pagina twaalf van Tao Lins ‘grensverleggende autobiografische roman’ Taipei stappen ‘een stuk of drie’ mensen in een taxi. Dat kunnen er dus ook twee of vier zijn. Op pagina vijftien komen ‘een stuk of vijf’ mensen hoofdfiguur Paul tegemoet. En jawel, een pagina verder gebruikt deze de maaltijd met ‘een stuk of tien’ familieleden. Tellen is niet het grootste talent van deze schrijver, denk je dan.

Genoemde Paul is Lins alter ego, een jonge New Yorker van Taiwanese afkomst, bekend geworden als blogger en auteur van verschillende romans en dichtbundels. Taipei brengt Pauls nogal doelloze leven in kaart: de feestjes, het eindeloze skypen, Gmail-checken en filmen met de MacBook; de non-gesprekken, de boekentouroptredens en interviews die in kennelijke staat worden afgewerkt. Het is, kortom, een zedenschets van een bepaald slag grootstedelijke twintigers.

Wat Lin probeert te vangen is de onthechting, het zoekende en, in Pauls geval, een semidepressieve conditie. Veel is onscherp, getuige zinnen als: ‘Fran vertrok naar haar appartement, dat ze deelde met een eenvoudige cocaïnedealer die aan Columbia een opleiding volgde die iets met kunst te maken had, om een of andere pasta te bereiden, „met heel veel erin”, die naar het scheen haar specialiteit was.’ Uiteindelijk trouwt Paul, nogal impulsief, in Las Vegas met zijn scharrel Erin en neemt haar mee naar Taipei. Maar dat verandert weinig. Drugsgebruik: check. Lege gesprekken: check. Onzinfilms over McDonald’s maken op de MacBook: check. Pas tegen het eind van het boek lijkt er wat op het spel te staan, en komt het geheel iets, maar niet veel, tot leven.

De literatuur kent zat werken waarin de benevelde sleur van jonge mensen centraal staat, zeker de Amerikaanse. Maar hoeveel daarvan begaan de doodzonde ook zelf geestdodend te zijn? Antwoord: in elk geval één.

Taal moet in een boek als dit redding brengen, maar Lin bedient zich van een repetitieve en weinig secure stijl, die soms functioneel is, maar meestal een zwaktebod. Steeds weer komt het woord ‘vaag’ voorbij, het boek stikt van de gruwelzinnen, om over lelijke woorden als ‘cyborgachtige’, ‘robotachtige’ en ‘asbestachtige’ maar te zwijgen. In dezen is overigens ook de vertaler niet zonder zonde.

Toen ik aan Taipei begon, meende ik even met een debuut van doen te hebben. Maar, als gezegd, het ‘nieuwe literaire fenomeen’ Lin heeft, net als hoofdfiguur Paul, genoeg oefening gehad: twee romans, twee dichtbundels, een verhalenbundel, een novelle, een handvol e-boeken. Taipei wordt gezien als zijn doorbraakboek. Het mag dan nogal bejubeld zijn in de Amerikaanse pers, dit boek is zo dodelijk saai, zo kom-kijken-naar- elke-keutel-die-ik-leg, dat me vaag het gevoel bekroop dat het soort van slechtachtig is.