I’m a rocket man

Interview

Wubbo Ockels was een enorm muziekliefhebber. Voor zijn dood keek Nederlands eerste ruimtevaarder terug op zijn avontuur en de liedjes die hij toen luisterde. „Ik nam een stukje aarde mee naar boven.”

tekst Sam Gerrits

De Space Shuttle Challenger ontploft bij het opstijgen in 1986. Het was de eerste vlucht na Wubbo Ockels’ ruimtereis. Reuters
De Space Shuttle Challenger ontploft bij het opstijgen in 1986. Het was de eerste vlucht na Wubbo Ockels’ ruimtereis. Reuters

‘Ik vloog mee met de Challenger in het najaar van 1985. Je had toen nog cassettebandjes. We mochten er twee of drie meenemen, geloof ik. De walkman was al op de markt, maar er zat nog een forse cassettespeler in de bemanningsruimte van de spaceshuttle. Daar heb ik drie liedjes veel gedraaid: ‘Purple Rain’ van Prince, ‘Private Dancer’ van Tina Turner en ‘Rocket Man’ van Elton John. Het geluid kwam via een speakertje in de wand.

Ik keek voor het eerst door een raampje naar buiten op de klanken van ‘Purple Rain’. Het uitzicht kwam als een schok. Het was totaal onwerkelijk.

Het hangt er een beetje van af welke richting je uit kijkt, maar het eerste wat ik zag was een spiegeling van het zonlicht in de atmosfeer van de aarde: het land was aardedonker, het water lichtte op en daar overheen lag een dunne, transparante laag atmosfeer. Bij dat beeld realiseer je je direct hoe onwerkelijk je situatie is. Je bent buiten de aarde, in het totale niets. Het is daar 200 graden onder nul, er is geen zuurstof, geen stikstof, geen lucht, geen geschiedenis, geen natuur. Alles wat leeft, is weg. Je hoort daar toch helemaal niet als mens, zwevend buiten die aarde.

Als je de andere kant uit kijkt, is het pikzwart, met sterren in kleuren die je op aarde nooit zult zien: oranje, paars. Dat ‘Purple Rain’ ging door merg en been.

Die muziek past heel goed bij zweven. Er zitten stukken in die bijna ritmeloos zijn. Stromende muziek, een vloed van klanken, een fontein, een waterval van geluid. Maar het is niet ritmisch.

Ook dat klopte bij het rond die aarde vallen in een ruimteschip. Zonder zwaartekracht is er geen ritme. Een >> >> heel gekke ervaring is dat. Tappen met je voet, klappen, dansen – je normale lichamelijke ritmiek is onbruikbaar. Je zou niet kunnen drummen in de ruimte. Ten eerste voelt ritmisch bewegen zonder zwaartekracht heel erg onnatuurlijk. Ten tweede hebben alle bewegingen die je maakt een effect op de rest van je lichaam, dat een tegenreactie begint en achterover draait. Je kunt het eigenlijk alleen als je jezelf vastsnoert.

Toen we weer terug op aarde waren, vroeg mijn dochter me: „Wubbo, heb jij mijn Prince-bandje?” Ik had het op het laatste moment uit haar slaapkamer mee genomen. Ik heb het haar alleen nooit terug kunnen geven. Ik denk dat het nu ergens in de opslag bij NASA ligt.

In de ruimte kun je niet dansen

Op aarde kun je wel dansen, in de ruimte niet. Dat betekent dat wat wij muziek noemen bij het aardse leven hoort. Je kunt muziek wel meenemen in de ruimte, maar dan als een extensie van het aardse leven.

‘Rocket Man’ lag natuurlijk voor de hand om mee te nemen. Het is pop en is het simpel. Dat was ook het idee, je neemt een stukje aarde mee. Maar ik ontdekte daarboven dat de tekst de emoties die vliegen in de ruimte oproept heel goed weergeeft.

De versnelling na de lancering, als je opstijgt, die valt wel mee. Het is anders dan een achtbaan, omdat het veel langer duurt. Maar we hadden natuurlijk al op de centrifuge gezeten en het gesimuleerd. Dus je weet wat een aantal minuten 3-g betekent. Het is een beetje ruig, maar niet geweldig heftig.

Gewichtloosheid is de kern van de ruimte-ervaring. Elk kind wil astronaut worden, niet omdat je dan in een shuttle zit, maar omdat je dan gewichtloos bent. Omdat je kunt vliegen.

Zwaartekracht niet voelen is aanvankelijk heel prettig, maar op een gegeven moment ga je een drijfveer missen. Zwaartekracht zorgt dat je constant je spieren spant, dat je gestuwd wordt. In de ruimte valt dat weg. Daardoor voelt ruimte tijdloos aan. Ik heb daar met een filosoof in Parijs over gesproken en we concludeerden dat je misschien wel dicht bij de dood zit als je die tijdsbeleving mist.

Wild en onverstandig

De laatste weken voordat we gelanceerd werden, brachten we door op Cape Canaveral, een eiland voor de kust van Florida. Dan ontstaat er toch wel een aparte sfeer. Die laat zich vooral kenmerken door bravoure. Nog even flink feesten, vrouwen versieren, veel drinken, helemaal uitgelaten zijn. Want wie zegt dat je de lancering heelhuids doorkomt?

Ik weet nog goed. Dirk Buwalda, een beroemd fotograaf – hij is helaas overleden – wilde voor het boek De Zwevende Hollander een foto maken van mij met de Challenger op het lanceerplatform. Ik had ‘s morgens om negen uur met hem afgesproken, maar joh, ik was om zes uur mijn bed pas ingerold met een flink stuk in mijn kraag. Ik stond echt zwetend te poseren, het was heel lastig om dat overtuigend te doen.

Ons teamlied in die dagen: ‘Broken Wings’ van Mr. Mister. Op Cocoa Beach werd dat helemaal grijs gedraaid.

In Florida is het in september gemiddeld dertig graden. En Cocoa Beach is één en al parelwitte stranden, leuke clubs en palmbomen. Als astronaut rijd je dan al gauw in een open auto langzaam langs het strand, dat was helemaal de sfeer daar. Een beetje een laissez-faire beach sfeertje, opzettelijk wild en onverstandig zijn. Want we stonden op het punt... je hebt toch te maken met een levensbedreigende situatie. Je probeert zo intens mogelijk te leven.

Daar hoort voor mij rijden in de auto langs het witte palmenstrand met ‘Broken Wings’ knallend op de radio bij. Het nummer eindigt heel zweverig, met een gitaar die zich herhaalt in lange, open klanken. Die sound associeer ik met die rebelse sfeer op Cocoa Beach en de cape.

Zwaar, heel zwaar

Terugkeren naar de aarde begint met een een de-orbit burn. Dan begint het ruimtevaartuig naar de aarde toe te vallen. Die valbeweging duurt vijftien, twintig minuten. Dan kom je vrij hard op de bovenste lagen van de atmosfeer terecht en remt hij ineens. Dan voel je de zwaartekracht. Ontdek je dat je armen en je hoofd loodzwaar zijn. En als je je hoofd beweegt gaat alles draaien en je denkt: o jongens, dit gaat helemaal niet lekker.

Toen ik weer op aarde was, was ik heel, heel zwaar. Onaangenaam zwaar. Ik vond mijn lichaam de eerste nachten onaangenaam zwaar en slap, het voelde alsof ik in bed vastgeketend lag. Ik kon niet even overeind komen en van het bed af. Ik zat gevangen in dat lichaam en kon niet weg. In die eerste dagen ging ik vaak het zwembad in, om mijzelf onder water het gevoel van zweven terug te geven.

Het meest vreemde was, dat als ik >> >> mijn hoofd bewoog de hele wereld daar hard tegenin draaide. Als wij op aarde ons hoofd draaien zien we dat de omgeving gewoon blijft stilstaan. Dat komt doordat onze ogen precies op het juiste moment een tegenbeweging doen, gestuurd door ons evenwichtsorgaan. De mooiste manier waarop ik dat kan laten zien is een stukje tekst op papier snel heen en weer schudden voor mijn hoofd. Kijk, zo kan ik het niet lezen. Maar: als ik met mijn hoofd net zo snel schud, relatief precies dezelfde beweging maak, kan ik het wel lezen!

Maar als je de ruimte in gaat, is die reflex bijna afwezig. Je evenwichtsorgaan werkt op zwaartekracht. Als jij je hoofd beweegt, blijft de hele wereld achter. Je wordt daar een beetje duizelig van. De helft van de astronauten wordt er ook misselijk van in het begin. Space sickness.

Maar op de terugweg, toen de zwaartekracht weer vat kreeg op de shuttle, ontstond het omgekeerde. Als ik mijn hoofd bewoog, stond de wand niet stil maar draaide veel harder dan mijn hoofd draaide. Mijn evenwichtsorgaan was gewend over te compenseren. Overshoot. Je ziet bij elke hoofdbeweging de hele wereld daar harder tegenin gaan. Ik moest mijn lichaam echt terugveroveren na de ruimtevlucht.

Fatale vlucht

Mijn ruimtereis in 1985 aan boord van spaceshuttle Challenger was gelijk de laatste van dat ruimteveer. De eerstvolgende missie was de fatale vlucht.

Het is enorm heftig als de vlucht na jou ineens verongelukt. Voor mij was het ook een enorm persoonlijke, bizarre situatie. Het was gewoon een doordeweekse dag. Mijn familie woonde in hartje Maastricht en ik werkte in Bonn. En ik reed elke dag op en neer. Toen ik thuiskwam, om een uur of zeven, stond de hele oprit naar de voordeur vol met pers.

Ze keken allemaal somber. Ik schrok enorm. Ik snelde naar het huis en toen ik de deur open deed, stond Joos daar. Ze was helemaal wit. Mijn eerste vraag was: wie? Ik dacht, er is iets met de kinderen gebeurd.

Dat bleek gelukkig niet het geval. Maar toen kwam de klap. Ik was heel erg bedroefd. Ik kende Dick Scobee, de commandant, heel goed. Hij was mijn kamergenoot in Houston, ik had een jaar intensief met hem opgetrokken. En er was ook eentje bij van dezelfde groep met wie ik had getraind, van de lichting van 1980, Mike Smith. Dus ja. Het was een tragisch gebeuren. Voor mijn familie was het ook het bewijs was dat het gruwelijk mis kan gaan. Op deze manier gaat het dus, als het misgaat.

We dachten als astronauten niet dat de shuttle onkwetsbaar was. Als astronauten onder elkaar gingen we ervan uit dat het zo’n een op honderd keer mis zou gaan. Wat best wel veel is. Maar god, je moet reëel zijn. Bij zo’n complex ding, met zoveel brandstof, moet het wel een keer misgaan.

Ik was ooit in Groningen aan het feesten, in een club die The Great Piano’s heet. Er staan twee grote vleugels met pianisten die ook zingen, en een drumstel. Die jongens spelen op verzoek de meest uiteenlopende nummers.

Ze doen veel Elton John, dus ik vroeg kunnen jullie niet ‘Rocket Man’ spelen? Dat deden ze, en wij waren behoorlijk uitgelaten. Maar ik werd enorm geraakt toen ze direct daarna, gewoon uit zichzelf, ‘Purple Rain’ speelden.

Wow. Wow. Hoe toevallig is dat?

Door de jaren heen heeft dat nummer natuurlijk steeds meer lading voor me gekregen, hè. Door die ruimtevlucht, en de herinneringen daaraan, de emoties, is het veel heftiger geworden. Als ik ‘Purple Rain’ hoor, ben ik niet noodzakelijkerwijs meteen in de ruimte, maar ik krijg een sterk existentieel gevoel. Het is bijna eng om te leven, zo’n soort gevoel...<<