Ik creëer toeval

Voor kunstenaar Marlene Dumas zijn beelden altijd politiek.

Een gesprek over taal, Zuid-Afrika en ‘de psychologie van het kijken’. ‘Wij zijn allemaal emotionele mensen thuis.’

Wat me bij de voorbereiding op het gesprek met Marlene Dumas opvalt: hoe vaak ze het over haar moeder heeft, hoe beeldend ze over haar jeugd in Zuid-Afrika schrijft.

Neem de catalogus bij de tentoonstelling Intimate Relations, uit 2007. Die begint, uit het Engels vertaald, zo:

Dit is een liefdesbrief aan mijn moeder.

Zonder haar zou ik noch hier noch daar zijn.

Of dit gedicht van haar uit 1988, ook uit het Engels vertaald:

Ik kan me precies herinneren hoe het fysiek voelde/ wanneer ik als kind onverwachts/ met mijn blote voeten op de slijmerige slakken/ stapte/ die waren verschenen na de regens.

Hoe ik naar de kikkers keek. Hun zware/ ademhaling,/ hun uitpuilende ogen./ De textuur van hun huid./ Hoe zacht mijn grootmoeder aanvoelde./ Hoe blauw haar kneuzingen kleurden. Hoe de/ zon scheen/ door haar bijna doorzichtig roze oren…

Er volgen nog vier strofen en in een ervan zegt ze dat ze bij het ouder worden steeds meer op haar grootmoeder gaat lijken. Ze schilderde haar vlak voordat ze (Marlene Dumas) Zuid-Afrika verliet, in 1975, en nog een keer toen haar grootmoeder dood was, in 1984. Het gezicht is grauwig wit, de kleren zijn van een verontrustend blauw.

Geef me wat meer tijd

en je kunt dit werk

een zelfportret noemen.

Geboorte, seks, lijden, sterven – het zijn belangrijke thema’s in het werk van Marlene Dumas, in haar beeldende werk en in wat ze schrijft.

Haar atelier is in de Amsterdamse Pijp en ziet er aan de buitenkant uit als een oude garage. Een oude rijtuiggarage in een negentiende-eeuwse arbeiderswijk. De deur wordt opengedaan door een man van een jaar of vijftig. „Rudolf”, zegt hij. „Rudolf Evenhuis.”

Marlene Dumas springt lachend achter hem vandaan en zegt, nee, zingt, dat ze me zich heel anders had voorgesteld. „Ik dacht dat je heel… heel…” Ze maakt woeste armgebaren. „Maar je bent juist zo… zo…” Ze legt haar handen tegen elkaar aan.

„Kom binnen”, zegt Rudolf. „Wil je thee?”

Ik begin over een foto in een van haar boeken, een catalogus, waarop drie Spakenburgse vrouwen in klederdracht – lange zwarte rokken, geruite schorten, kapjes over hun haar – naar een schilderij van haar staan te kijken: een naakte vrouw op haar buik, meters breed. Mijn grootouders kwamen uit Spakenburg. Die vrouwen zouden oudtantes van me kunnen zijn.

„Wat leuk”, zegt Marlene Dumas. „Ik vind het leuk als jij ook iets vertelt.” Ze buigt wat naar voren, alsof ze me in vertrouwen wil nemen. „Ik hou er niet zo van om geïnterviewd te worden. Ik weet nooit zo goed wat ik moet zeggen. Sommige mensen worden stil. Maar ik – als ik het niet weet, ga ik heel veel praten. Ik praat zo veel dat ik…”

Ze maakt haar zin niet af en wappert in plaats daarvan met haar handen. Alles aan haar is vriendelijk en vrolijk. Haar ogen, haar krullen, haar lach, haar taal. Ze spreekt Nederlands en Zuid-Afrikaans door elkaar heen, met een zachte stem, hoog en melodieus. Zo jammer dat daar op papier niets van overblijft.

De werktafel ligt vol krantenknipsels en A4’tjes. Marlene Dumas is een nieuwe tentoonstelling voor het Stedelijk Museum aan het voorbereiden, The Image as Burden, die in september opengaat. Ze is bezig met de catalogus.

„Het wordt een retrospectief”, zegt ze. „Dertig jaar terugkijken, wat je gedaan hebt, wat je goed vond, wat minder.”

Ze leunt naar achteren en begint aan een lange zin: „Dan zie ik al die stukken die ik heb geschreven, of die over me zijn geschreven, en dan kom ik in 2007, en in 2007 is mijn moeder overleden, en dan lees ik de brieven weer uit die tijd, en al die andere dingen, maar ik kan dat niet allemaal gebruiken, en alles moet in het Engels worden vertaald, want die catalogus is niet alleen voor het Stedelijk Museum, maar ook voor de Tate Modern en voor de Fondation Beyeler in Basel, daar gaat de tentoonstelling daarna naartoe, en ik spreek eigenlijk beter Engels, want ik heb in het Engels gestudeerd, aan de universiteit van Kaapstad en daardoor…”

Zo praat ze, associërend, in halve zinnen, cirkelend rond het onderwerp. Net als je begint te denken dat je haar niet meer kunt volgen, komt ze tot de kern, en gaat door naar het volgende onderwerp.

Op haar website staat een filmpje van een gesprek met haar bij de opening van de tentoonstelling Tronies in het Haus der Kunst in München, en daarin vertelt ze, lachend en met wegwerpende gebaren, dat haar moeder haar wel eens probeerde te verbeteren: Marlene, je lijkt zo oppervlakkig, je maakt je zinnen nooit af, de mensen begrijpen je verkeerd, leer nou eens om wat rustiger te praten… „Maar ik maak nog steeds dezelfde fout”, zegt ze dan. „Ik kan het niet helpen, er is zoveel dat ik wil vertellen.”

En kennelijk komt het allemaal tegelijkertijd bij haar naar boven. Aan het eind van de middag zal ik begrijpen dat het, samen met haar vermogen om zich door toeval te laten leiden, de essentie is van haar kunstenaarschap.

„Mensen willen mijn taal altijd verbeteren”, zegt ze. „Als ze van ‘ek is’ ‘ik ben’ maken, vind ik het niet erg. Maar als er staat dat ik ‘ergens op voortborduur’…” Ze kijkt alsof ze iets vies ruikt. „… dan vind ik dat wel erg, want dat zeg ik nooit, ‘ergens op voortborduren’, en sommige uitdrukkingen vind ik in het Zuid-Afrikaans beter… Anyway, waarom vertel ik dit allemaal? Ik ben dus aan het terugkijken op de afgelopen dertig jaar, maar ik wil liever een dialoog met jou. Vertel jij ook nog eens wat.”

„Nou ja”, zegt ze dan. „Als ik terugkijk, dan kom ik in 1980, en ik vind een krantenknipsel van het eerste interview met mij, en dan zie ik opeens een woord staan…” Ze denkt even na. „… het ‘onderbewuste’ staat daar dan, zo’n woord dat je nu nooit meer hoort, wat wel jammer is, maar toen gebruikte je het vaak, het was een heel gewoon woord, het onderbewuste…”

Ze zegt het alsof ze het woord op haar tong proeft, en ik wil over Freud beginnen, maar ze praat alweer door.

„Ik bewaar alles. Brieven, knipsels, uitgeknipte foto’s… Ik moet eens beginnen met weggooien, anders zitten al die mensen...” Ze gebaart naar achteren. „... er later mee opgescheept en ik weet ook niet zeker of ik wel wil dat iedereen dan alles kan lezen. Ik heb enorm veel brieven aan mijn moeder, een paar ervan heb ik gebruikt in Intimate Relations, en als je mij nu zou vragen of ik ooit met mijn moeder over porno heb gesproken, zou ik ‘nee’ zeggen, maar er is een brief van mij aan haar, uit 1985, waarin ik dat wel doe, en als ik die zou hebben weggegooid, dan zou ik dat nu niet meer weten, en nu weet ik dus dingen die ik anders onmogelijk onthouden had…”

Dit is een deel van die brief, in het Zuid-Afrikaans: Eergisteravond het ek en Marcel by Lucienne en haar vriend Joel naar hulle komputer gaan kijk. [...] Toet ons ook zo gelag, want Marcel het nog nooit ’n pornofilm gesien nie en toe het ek en Joel een videofilm gaan huur terwijl Marcel en Lucienne ete gemaak het. Maar ons wou iets grappigs. Toe kies ons – mense die dit met diere doen! Maar dit was so absolute nonsens. Arme lelike mense die [...] weinig plezier het in hulle aktiviteit maar dit moet doen vir die geld en dan – die bok! Die man doen dit toe met so ’n ou wit bok met so ’n lang wit baardje. [Tussendoor een tekeningetje van een geitenkop.] Dit was so belaglik en daar was verder niks meer op die video nie. [...]

„Ik kom van een boerderij”, zegt ze. Een wijnboerderij bij de Kuilsrivier, bij Kaapstad. „Op een boerderij wordt alles bewaard. Ik heb nog kleren van mijn oma, en ik ben nu zelf bijna oma. Boeren reizen niet. Mijn oudste broer woont daar nog, hij is nooit verhuisd. Ik ben de enige die overzees is gegaan, en ik was het nooit van plan.”

Ze valt stil en lacht. „Waarom zit ik dit toch allemaal te vertellen...”

Wat was uw moeder voor vrouw?

„Ze komt van de Karoo”, zegt ze – in de tegenwoordige tijd, alsof ze nog leeft. De Karoo is een woestijnachtig gebied in de Noordelijke Kaap-provincie. „Het is daar heel droog, dus ze is opgegroeid met schapen en met schapenmelk. Mijn vader kwam van de Kaap en die groeide op met kreeft en wijn.” Haar vader stierf toen ze bijna dertien was, in 1966. „Mijn moeder had nog nooit kreeft gegeten voordat ze mijn vader leerde kennen…”

Ze verandert van onderwerp. „Ik speelde veel buiten. Ik schilder niet over de aarde en de natuur, maar de natuur zit wel in me. Er wordt een kip geslacht en jij zit erbij. De kip springt nog een tijdje rond en jij ziet dat. Er waren schapen, en ook wel koeien en kalfjes. Je had je eigen melk. Leven en dood waren dichtbij. Mijn oma woonde bij ons en ze ging dood. Opa was al dood. Het was normaal dat je opa en oma bij je woonden en dat je ze verzorgde als ze ziek werden. Mijn moeder, dat wilde ik net zeggen, was een heel goeie moeder. Ze genoot van haar kinderen. We woonden op zanderige grond en ze legde een prachtige tuin aan.”

Een bloementuin?

„Nee”, zegt ze, met iets meewarigs in haar stem. „Ik zei toch dat het zanderige grond was? Veel struiken en bomen, en weinig water. Brak water. Was mijn moeder met iemand anders getrouwd, dan had ze een ander leven gehad. Ze was naar de universiteit geweest. Op de boerderij was er weinig voor haar, maar ze deed wat ze moest doen en het maakte haar gelukkig.”

En uw vader?

Ze lacht en knikt. „Je kiest voor de freudiaanse aanpak”, zegt ze.

U was ooit van plan om een masterscriptie te schrijven over Freuds psychoanalytische theorieën met betrekking tot de betekenis achter kunstwerken.

„In plaats daarvan heb ik Freuds vrouw geschilderd en daar is het bij gebleven. Maar mijn interesse voor zijn theorieën is er nog steeds.”

Vertel over uw vader.

„Mijn vader... Ja... Hij is jong gestorven, hij was pas 48. Later ga je nadenken. Hij was de boer en mijn moeder was naar de universiteit geweest, en ik was als kind trotser op haar dan op hem...” Ze zucht. „Nu moet ik aan de super-8-filmpjes van vroeger denken en dan zie ik de reisjes naar de Victoriawatervallen die ze maakten, en dan denk ik: ik heb ook wel eigenschappen van mijn vader. Mijn moeder was slank en lang, mijn vader rond en klein…” Ze wijst naar zichzelf. „…net als ik, en hij was iemand die nooit voor het einde van een feest wegging, en daar ben ik het helemaal mee eens. Hij kon vioolspelen, op een viool waar één snaar aan ontbrak… Hij was uiteindelijk een leuke man, denk ik. Hij las geen boeken, maar hij moet heel charming zijn geweest.”

Ze kijkt naar Rudolf Evenhuis. Die zegt vanachter zijn bureau: „Dat moet wel, anders was je moeder niet met hem getrouwd.” Hij heeft Dumas’ moeder nog gekend. Samen met studiomanager Jolie van Leeuwen runt hij Studio Dumas. Ze zijn beiden kunsthistoricus.

Marlene Dumas: „Wat ik specifiek van mijn vader heb, is dat hij nooit opgaf.”

Ze bladert door de catalogus bij de tentoonstelling Sorte, Milaan, 2012 – sorte betekent ‘noodlot’ – en ze wijst naar de foto van een liggende man met een baby op zijn borst. „Mijn broer”, zegt ze. „Hij is zes jaar ouder dan ik. Mijn andere broer is negenenhalf jaar ouder, dus ik was een zeer gewenst kind. O, nou weet ik weer waar we het over hadden. Mijn enorme beeldarchief. Maar een archief zou ik het niet willen noemen, hoor. Alles ligt door elkaar. En het gaat ook om teksten. Het is niet zomaar plaatjes knippen wat ik doe. Ik ben met iets bezig en dan ga ik op zoek, en als ik die plaatjes en knipsels later weer zie, dan denk ik: hé, grappig. Pornoblaadjes bijvoorbeeld. Die veranderen ook. Playboy in de jaren zestig, de fotografie was toen veel vrolijker. De mensen op de foto’s deden andere dingen. Ik ben nu zestig en ik zie de verschillende beeldtijden, zo wonderlijk. Ik kwam een knipsel tegen over Marilyn Monroe, in 2007, en ik was niet van plan om haar te schilderen, maar ik zou een tentoonstelling maken voor de MoMa in New York, en ik had nog niets, en toen viel dat knipsel over Marilyn Monroes dood uit de map, terwijl ik daar niet naar zocht, en ik dacht: Amerika, American dream, een dode Marilyn Monroe, en mijn moeder is dood, en toen was het idee er opeens: Measuring Your Own Grave.”

Ze schilderde het lijkportret van Marilyn Monroe. Het was het begin van een serie portretten van rouwende en huilende vrouwen.

Marlene Dumas: „Picasso zei: ik zoek niet, ik vind. Het klinkt arrogant, want je mag ook zoeken, maar ik hou van het toeval. Antonioni, de Italiaanse filmregisseur – hij maakte Blow-Up, een van mijn grote liefdes – en Antonioni zei dus: ik heb een script, maar als ik aan het werk ga, wordt alles anders. De man die dacht dat hij een grote rol zou spelen en veel in beeld zou zijn, verdween na een kus met Vanessa Redgrave helemaal van het toneel. Aan Fellini werd eens gevraagd: wanneer is een film klaar? Hij antwoordde: als het geld op is. Wanneer is een schilderij klaar? Als mijn concentratie op is. Eerst moet ik iets vinden dat zo goed is dat het al mijn concentratie eist, en als ik het gevonden heb, ga ik door tot de concentratie weg is. Ik ben wel eens te snel opgehouden, maar als je ergens te lang aan werkt, dan verwoest je ook weer dingen. Het is geen goede of slechte eigenschap, het is hoe ik werk.”

Weer een wegwerpend gebaar. „Ik praat te veel. Praat jij nou eens.”

Uw jongste broer was dominee.

„Hij is dominee, maar zonder gemeente.”

Hoe christelijk bent u opgevoed?

Ze lacht. „Jij denkt: Zuid-Afrika, apartheid, een broer die dominee is... Maar mijn achtergrond is niet streng christelijk, hoor. Mijn broers grote voorbeeld was Kierkegaard, en voor hem was geloof verbonden met existentiële twijfel. Mijn broer wilde de kerk van binnenuit veranderen. Hij zei: als de mensen voor God gelijk zijn, hoe kun je dan de apartheid handhaven? Wij zijn allemaal emotionele mensen thuis… Altijd aan het werk, ontspannen kunnen we niet. Mijn moeder zei altijd: ontspannen? Wat is dat? Daar doe ik niet aan. Eigenlijk waren we allemaal verbaasd dat mijn broer dominee wilde worden. Wij dachten: advocaat. Hij argumenteert graag. Ik heb dus wel een christelijke achtergrond, maar toen ik in Nederland kwam, was ik verbaasd om te horen over de zwartekousenkerken hier. Veel strenger dan wat ik gewend was. Ja, in Zuid-Afrika waren de kerken zonder beelden. Ik ben niet met beelden opgegroeid, ook niet met musea. De eerste keer dat ik echte beelden zag, dat was in Europa. Ik was verbaasd.”

Waarom schildert u mensen en geen natuur?

„Je hebt kunstenaars met vieze ateliers en kunstenaars die heel gestructureerd zijn. Ik ben een kunstenaar met een vies atelier. Niet dat dat moet als je van een boerderij komt, maar de omgang met het materiaal… verf… inkt… ik vind dat niet vies. Aarde, ik vind dat niet vies. Ik hou van contrast. Wat ik mooi vind: een lijn die snel is en daarnaast een lijn die is uitgeveegd. Ik zoek geen harmonie, dat alles hetzelfde is, en ik zou niet durven zeggen: dat komt door het landschap waarin ik ben opgegroeid. Maar wel: ik ben opgegroeid met hier de vlakte en daar een berg… Ik praat maar wat, hoor. Ik weet het ook allemaal niet. De natuur, daar wil ik eigenlijk vanaf blijven. Ik snap God wel die zegt: je mag mij niet schilderen. Niet dat je erom moet gaan moorden als mensen het wel doen, maar ik snap het. Binnen de logica van het godsconcept kan ‘Hij’ niet afgebeeld worden. ‘Hij’ is natuurlijk geen man met een baard, maar een metafoor.”

Ze onderbreekt zichzelf en herhaalt de vraag. „Waarom ik geen natuur schilder… Ik weet eigenlijk niet zo goed wat ik erover moet zeggen. Manet, toen hij oud was, maakte hij prachtige kleine schilderijen van een pruim of zo. De rust die je daarvoor nodig hebt… Misschien, als ik oud ben en niets anders meer kan, ga ik dat ook wel doen. De tentoonstelling in het Stedelijk Museum heet The Image as Burden en ik bedoel daarmee dat beelden altijd politiek zijn. Er wordt altijd iets aan toegekend – dit is een crimineel, een terrorist, dat is erotisch – en daar ben ik mee bezig. De psychologie van het kijken. Als ik naar de natuur kijk, wil ik niet kritisch zijn. Het is niet aan mij om dat te doen. Maar misschien kun jij beter verwoorden wat ik bedoel.”

Ze vraagt of ik haar atelier wil zien. Ze loopt wat moeilijk, na drie uur zitten. „Ik ben er altijd trots op geweest dat ik zonder te oefenen een goede conditie had”, zegt ze. „Maar ik heb nu toch last van mijn knieën.” Alsof haar moeder haar toespreekt: „Zolang het niet dodelijk is...”

Het atelier is donker en overal liggen proppen papier op de grond. Ze kijkt ernaar alsof het haar zelf ook verrast. Ze pakt een emmer met verdroogde kwasten en zegt dat dit wel heel treurig is. „Ik heb lang niet gewerkt. Het gaat niet allemaal samen, een tentoonstelling voorbereiden, een catalogus maken en werken. Een tentoonstelling voorbereiden put me emotioneel uit.”

Langs de wanden staan ladekasten en ze trekt een willekeurige la open. Blindfolded staat op de map die ze er eruit haalt. Hij zit vol krantenknipsels met foto’s van geblinddoekte en gedode mannen. Ze blijft kijken naar een foto van een jonge soldaat die met zijn armen wijd uitgespreid op straat ligt. „Mijn dochter, toen ze klein was, kon ze ook zo liggen. Totale overgave.”

De beeldtaal van oorlog en geweld is ook veranderd, zegt ze. Vroeger waren kranten terughoudend met het tonen van lijken, nu niet meer.

Een andere map heet Female Martyrs. Er rolt een foto uit van Ulrike Meinhof, een van de bekendste leden van de Rote Armee Fraktion, een Duitse terreurgroep uit de jaren zeventig. „Haar brein”, zegt Marlene Dumas. „Er wordt gezegd dat het beschadigd was en dat ze daarom terrorist was geworden.” Ze stopt de map weer terug in de la. „Bij vrouwen wordt dat snel gezegd, hè, als ze aanslagen plegen. Ze zullen wel gek zijn.”

In een ander deel van het atelier, waar het lichter is, hangen portretten van bekende homoseksuele mannen uit de geschiedenis. De componist Tsjaikovski, de filmregisseur Eisenstein, de balletdanser en choreograaf Noerejev, de schrijver Gogol... Ze maakt ze voor de tweejaarlijkse tentoonstelling Manifesta, die eind juni in Sint-Petersburg opent. Er zal daar ook werk te zien zijn van Rineke Dijkstra en Erik van Lieshout.

Aan de wand hangen ook portretten van niet-Russische homoseksuelen: de Britse wiskundige Turing, de Amerikaanse schrijvers Baldwin en Tennessee Williams... Marlene Dumas gaat voor de wand staan en kijkt langdurig. „Tennessee Williams is het best gelukt”, zegt ze dan. Bij zijn voorhoofd is de inkt waarmee ze gewerkt heeft een beetje uitgelopen en daar zit nu een waterige vlek, die het portret aangrijpend maakt. „Het ging per ongeluk”, zegt ze.

Op de vloer liggen ook een paar portretten, maar groter, op grotere vellen papier. Marlene Dumas zegt dat ze gewoonlijk op de grond werkt, op haar knieën, maar dat doet haar nu te veel pijn, dus heeft ze kleinere vellen papier genomen – gekregen van een vriend – en die heeft ze op een laag tafeltje gelegd. Kon ze erbij gaan zitten op een krukje. „Daarom”, zegt ze, wijzend naar de portretten aan de wand, „zijn die kleiner geworden”.