Zorgverzekeraars houden miljarden achter de hand

Closeup on medical doctor hands, taking money

Zorgverzekeraars hamsteren steeds meer premiegeld. En dat geld gaat niet naar de zorg, maar naar beleggingen. Sinds begin 2012 namen de reserves van de vier grootste zorgverzekeraars met twee miljard toe. Dat komt neer op ruwweg 175 euro per verzekerde.

Dat blijkt uit onderzoek van NRC. Zorgverzekeraars krijgen hun geld van de burgers die verplicht een zorgverzekering afsluiten en die daarnaast via hun werkgever zorgpremies afdragen.

De vier grootste verzekeraars hebben gezamenlijk 90 procent van de markt in handen. Achmea (Zilveren Kruis, De Friesland, FBTO, Avéro, Agis) is met 32 procent marktaandeel de grootste van het land. Daarna volgen VGZ (Univé, Zekur), CZ en Menzis (Azivo, Anderzorg).

Winststijging van 1.789 procent

Met uitzondering van Achmea zijn alle instellingen niet op winst gericht. Toch steeg hun gezamenlijke jaarresultaat van 0,4 miljard in 2011 naar 1,4 miljard vorig jaar. VGZ, een coöperatie en de een na grootste zorgverzekeraar van Nederland, behaalde in 2011 27 miljoen winst en vorig jaar ruim 510 miljoen, een stijging van 1.789 procent.

Winst van vier zorgverzekeraars in 2011 t/m 2013. Klik of raak de bollen aan om meer informatie te krijgen

Zorgverzekeraars willen bewust extra geld oppotten omdat zij meer financiële risico’s zijn gaan lopen. De Nederlandsche Bank heeft daarom de kapitaaleisen aan zorgverzekeraars verhoogd. Maar Nederlandse zorgverzekeraars zitten ver boven die normen. De grote vier hebben naar schatting meer dan 4 miljard euro aan premiegeld extra opzij gezet als “veiligheidsmarge”. Dat komt overeen met 350 euro per verzekerde.

Geld oppotten voor de langdurige zorg

Verzekeraars houden echter nu ook al rekening met de extra taken die op hun afkomen. Zij worden voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor de uitvoering van de langdurige zorg. Het kabinet rekende eerder uit dat zorgverzekeraars daar 400 miljoen extra voor nodig hebben. Maar staatssecretaris Van Rijn (Zorg, PvdA) wees er op dat zorgverzekeraars ervoor kunnen kiezen geen extra reserves aan te leggen vanwege hun “forse overschot op de minimaal vereiste solvabiliteit”.

In theorie zal een te veel oppottende zorgverzekeraar zichzelf uit de markt prijzen. Door de lange strijkstok kan de zorgverzekeraar geen concurrerende premie bieden. Dat zeggen de zorgverzekeraars al een paar jaar, maar ondertussen groeien hun reserves gestaag. Functioneert de markt eigenlijk wel? Slechts vier partijen domineren. Bestaat er wel voldoende concurrentie tussen hen?

Prijsvechters houden verzekeraars bij de les

Volgens Marco Varkevisser van de Erasmus Universiteit hebben zorgverzekeraars met grote onzekerheden te maken. Behalve de overheveling van de langdurige zorg (AWBZ) naar de zorgverzekering, zijn er aangescherpte kapitaalseisen vanuit Brussel onderweg. “Dat maakt deze discussie heel complex. Maar tegelijkertijd roept de omvang van wat verzekeraars opzij zetten wel vragen op.”

Varkevisser zegt blij te zijn dat er nog altijd kleine zorgverzekeraars zijn als DSW die met hun prijsvechtersmentaliteit de grote verzekeraars bij de les houden als het om de hoogte van de zorgpremies gaat. In de categorie: het had nog veel erger kunnen zijn.

Nu blijft inmiddels meer dan 8 miljard euro hangen bij de zorgverzekeraars - ruim 709 euro per verzekerde, ofwel 1,3 procent van het bbp. Dat is dood geld: het wordt voornamelijk gebruikt voor beleggingen: in staatsleningen en gewoon in kas gehouden. En een deel zijn zorgverzekeraars kwijt omdat het weer ergens anders blijft hangen. Ze zijn extra geld kwijt aan onderlinge vorderingen zoals voorschotten aan ziekenhuizen of aan de centrale kas van minister Schippers.