Universiteit wordt te licht

Door massaliteit kweekt de universiteit eendimensionale mensen, vindt Jelle van Baardewijk.

Een consultant vertelde mij dat hij bedrijfskundigen bij een sollicitatie een populair non-fictie boek meegeeft, dat ze in een vervolggesprek moeten samenvatten. ‘Ze zijn ogenschijnlijk goedgebekt, maar het valt vaak tegen wat ze uit een boek oppikken. Een diploma van de universiteit geeft daarover geen uitsluitsel.’

Zo’n ogenschijnlijk basale ‘competentie’ staat voor deze man kennelijk voor veel meer dan alleen maar taalvaardigheid. Omdat ik regelmatig filosofiecolleges geef aan bedrijfskundigen en zelfs promotieonderzoek doe naar de opkomst van deze studie in Nederland, kwam deze opmerking van de consultant voor mij niet als een verrassing. Om te beginnen is het merendeel van de universitaire (bachelor-)opleidingen bedrijfskunde in Nederland massaal van opzet. Studenten moeten vaak met driehonderd man en vrouw tegelijk college volgen – of zelfs met nog meer. Dat ‘volgen’ valt ook nogal eens tegen, omdat bij veel van hen de interesse in de studie als zodanig gering is en een sterk instrumenteel karakter heeft. De studie is een tussenstation op de weg naar een goede baan, die overigens niet zomaar gevonden is.

De massaliteit van bedrijfskunde ligt in de lijn van de Lissabon-ambitie tot meer hoger opgeleiden in Europa. De opwaartse druk in ons hoger onderwijs leidt tot een enorme stijging van de doorstroom vanuit het hbo. Je zou verwachten dat de universiteit zich extra heeft ingespannen om deze studenten te helpen, maar de onderwijsstaf is niet meegegroeid. Geen geld. Alle studenten moeten het daarom dus relatief gezien met minder docenten doen dan voorheen. Het gevolg is dat het onderwijs op veel plaatsen is ‘geëxtensiveerd’: meer studenten in één collegezaal, meer geprefabriceerde studietrajecten, maar minder persoonlijke aandacht.

De massaliteit van de universiteit heeft er mede voor gezorgd dat studenten vaak worden getoetst met meerkeuzevragen. Het gaat dan om effectief kiezen uit informatiebrokjes. Er wordt dus nauwelijks geoefend in het formuleren van samenhangende gedachten in een theoretisch kader. Academisch taal- en schrijfonderwijs bestaat nauwelijks meer. Tekortkomingen op dat gebied komen pas bij het schrijven van scripties voor het eerst écht aan het licht. Maar dan is het eigenlijk veel te laat, want wie durft een student bij zijn scriptie nog de deur te wijzen?

In de huidige universitaire organisatie moeten zoveel mogelijk studenten zo snel mogelijk afstuderen. De organisatie is gericht op kwantiteit en geeft perverse prikkels om kosten te besparen: beperkte aandacht voor individuele gevallen, werken met een vaste slagingsnorm en beperkte toets tijd. Natuurlijk proberen de meeste docenten de kwaliteit te waarborgen, en vaak met enig succes, maar iedereen moet compromissen sluiten – vele jaren achtereen. Dan wordt het verleidelijk om iemand een zesje te geven voor een prestatie die eigenlijk beneden de maat is, met een taalgebruik dat je nauwelijks academisch durft te noemen. Dit is niet alleen een probleem van bedrijfskunde. Wat ik zo meekrijg van collega’s, is dat de meeste andere massastudies en massavakken evengoed met deze problematiek worstelen.

Het begint in feite al bij de gebrekkige beheersing van het Nederlands. Dat basisvaardigheden van studenten niet op orde zijn, wreekt zich later ook in de werkpraktijk en ondermijnt het ideaal van de kenniseconomie. De wijze waarop een docent en student op college een tekst van Aristoteles of Keynes interpreteren, komt óók in organisaties terug. In het kunnen doorzien van structuren, analyseren van gedachten, kort en bondig kunnen samenvatten, door kunnen vragen, niet zomaar alles voor waar aannemen. Als studenten niet worden getraind in deze aspecten van de oordeelskracht, ontstaat de verleiding om niet verder te kijken dan de aangeboden kengetallen. Men kweekt er eendimensionale mensen mee.

Het bedrijfsleven kent het gevaar van deze spreadsheetbenadering. Juist het bedrijfsleven zou steun moeten betuigen voor meer academische vorming. Of iemand nu in watermanagement, in gaming, of gewoon in de handel komt te werken, het vermogen om zich ergens in te kunnen verdiepen en inzichten naar een bepaalde praktijk te ‘vertalen’ en met anderen te delen is essentieel.

Studenten moeten worden opgeleid tot kritisch denkende burgers met vakkennis. Dat betekent dat zij zich bondig kunnen uitdrukken, kunnen lezen en schrijven, onderzoek kunnen doen en cijfers kunnen interpreteren (iets anders dan sommetjes maken) en dat zij kunnen doorvragen. Daar hoort de discipline bij om de complexe wereld te begrijpen en niet te versimpelen. Die discipline vooronderstelt een stimulerende academische cultuur. Kortom: de universiteit leidt op tot academici die een brede algemene vorming hebben en hun academische vaardigheden in specifieke gevallen kunnen aanwenden. Dat zijn dan misschien nog geen intellectuelen, het is wel meer dan hbo-extra.