Hoe de wereld van de Bronstijd ten onderging

In de vorige eeuw is anderhalf millennium, van 2700 tot 1200 v.Chr., toegevoegd aan de menselijke geschiedenis. Lees hoe omstreeks 1177 een einde kwam aan beschavingen in het Egeïsche Zeegebied.

David en Goliath, een schilderij (173 bij 132 cm) uit 1610 van Guido Reni (1575-1642)
David en Goliath, een schilderij (173 bij 132 cm) uit 1610 van Guido Reni (1575-1642)

Eeuwen na de verwoesting van Troje staken de stadsmuren nog boven de velden uit. De herders die er hun kuddes weidden, waren er voldoende van onder de indruk om elkaar verhalen te vertellen. Er was ooit verschrikkelijk gevochten, zeiden ze, door helden die behoorden tot een ras dat sterker was dan de mensen uit hun eigen tijd. De muren konden geen mensenwerk zijn, maar moesten door goden zijn gebouwd .

Goden, helden en eeuwenoude ruïnes: meer wist een dichter als Homeros eigenlijk niet over het Troje van de dertiende eeuw voor Christus dat de achtergrond vormt van zijn Ilias. Andere barden zongen heldenliederen over de steden Mycene en Thebe, waarin eveneens echo’s doorklonken van dat verre verleden. De verhalen zelf zijn grotendeels fictie.

De Bronstijdbeschaving die ooit had bestaan in het Egeïsche-Zeegebied, was in de tijd van Homeros en zijn collega’s vrijwel vergeten. De even oude cultuur van de Hittieten, die in het midden van het huidige Turkije woonden, raakte nog meer in de vergetelheid: er werden zelfs geen verhalen meer over verteld. Er resteerde niets dat oudheidkundigen kon doen vermoeden dat de Hittieten hadden bestaan. Des te groter was de verbijstering toen de antieke supermacht zo’n honderd jaar geleden werd ontdekt.

Vervlochten

Het onderzoek naar Troje, Mycene, Egypte en Mesopotamië was toen al gaande en in de eerste helft van de twintigste eeuw kwamen daar Kreta, Cyprus, de havenstad Ugarit en de Hittieten nog bij. De laatste decennia leerden we hoezeer deze culturen vervlochten zijn geweest. Myceense frescoschilders werkten in Egypte, dat weer graan exporteerde naar de Hittieten. In bewaard gebleven brieven van diverse koningen lezen we dat ze oorlog voerden, vrede sloten, handel dreven en met elkaars dochters trouwden.

De wereld van de Bronstijd is de grootste oudheidkundige ontdekking van de vorige eeuw. Er is in feite anderhalf millennium toegevoegd aan de bekende menselijke geschiedenis, laten we zeggen van 2700 tot 1200 voor Christus. Vijftien eeuwen die voor een groot deel vergeten waren: zó compleet was de instorting van het systeem. Er kwam in die periode een einde aan de Griekse paleisburchten, het Hittitische Rijk desintegreerde, de steden van de Levant werden verwoest en Egypte bewaarde zijn onafhankelijkheid ternauwernood.

Er zijn parallellen voor dit soort instortingen, zoals de verdwijning van het Romeinse Rijk uit westelijk Europa. Daarover is veel geschreven en het is niet overdreven te zeggen dat ‘instortingsliteratuur’ een apart genre is, waarin de oorzaak van de ramp steevast een probleem is uit de tijd van de auteurs, geserveerd met een toefje apocalyptiek. De Amerikaanse archeoloog Eric Cline weet dit niet geheel te vermijden in 1177 B.C.: The Year Civilization Collapsed, waarin hij de ondergang van de Bronstijdrijken beschrijft, maar dat neemt niet weg dat het boek alleszins de moeite waard is.

Na een uitvoerige beschrijving van de wereld die ten onder ging, presenteert Cline de catastrofe als het gevolg van een combinatie van omstandigheden, die elk op hun manier het systeem ontregelden. Het staat vast dat er een reeks aardbevingen was die duurde tot de onderliggende aardlagen stabielere posities hadden gevonden. Er was langdurige droogte, die duidt op een klimaatomslag. Het bewijs daarvoor is, sinds Cline zijn manuscript naar de drukker stuurde, alweer sterker geworden. In het Egeïsche-Zeegebied en Anatolië heerste politieke onrust, waardoor volken op drift raakten. De migranten volgden de oude handelsroutes en verplaatsten zo de onrust naar andere gebieden. Een bekend voorbeeld is de oorlog die farao Ramses III rond 1177 voor Christus voerde tegen de zogeheten Zeevolken, waarvan de Filistijnen de bekendste zijn. Er is geopperd dat de overheden in deze tijd prestige verloren en de internationale handel niet langer konden coördineren: het ontstaan van vrij ondernemerschap was een uiting van instabiliteit. Cline is hierover wat sceptisch, maar presenteert deze theorie zo dat een lezer zijn eigen conclusies kan trekken.

Instabiliteit

Wat was oorzaak, wat was gevolg? Op zichzelf had geen van deze factoren hoeven leiden tot de catastrofe die feitelijk heeft plaatsgevonden, maar de situatie kon problematisch worden doordat de diverse partijen zó zeer met elkaar samenhingen dat een verandering in één land onvermijdelijk leidde tot instabiliteit bij alle andere betrokkenen. (De jargonterm uit de complexiteitstheorie is ‘hyper-coherence’). Als zo’n systeem eenmaal in verval raakt, kan de instorting ook volledig zijn, omdat er niets is dat onberoerd en stabiel overeind blijft.

Zoals gezegd zijn in de instortingsliteratuur de oorzaken van de ramp doorgaans de problemen uit de tijd van de auteurs. Ook Cline ontkomt er niet aan dat hij onze zorgen over globalisering projecteert op het verleden. Dat is inherent aan de oude geschiedenis, die ons alleen iets kan tonen dat wij herkennen. De Oudheid is een echoput en de waarde van de oudheidkunde ligt minder in haar onderwerp dan in haar methode. Dat laat echter onverlet dat Cline een van de boeiendste boeken uit de afgelopen jaren heeft geschreven.