Geen staatsrol bij investeringen

Pensioenfondsen en verzekeraars beschikken over zo’n 1.400 miljard euro aan vermogen. Tegelijkertijd zou er in Nederland de eerstvolgende vijf jaar behoefte zijn aan 10 miljard euro extra financiering. Het feit dat vermogen (aanbod) en financieringsbehoefte (vraag) elkaar vaak niet bereiken, is reden voor de deze week voorgestelde oprichting van een Nederlandse Investeringsinstelling (NII).

Deze instelling zou zich kunnen richten op investeringen in infrastructuur, onderwijs en energie. Zij kan de vraag naar financiering vanuit het midden- en kleinbedrijf mee helpen bundelen. En een aparte tak kan de hypotheekmarkt meehelpen vlot te trekken.

Dat klinkt goed. Er is genoeg vermogen beschikbaar bij de institutionele beleggers, waarvan er inmiddels dertien zich achter de NII scharen – waaronder de reuzen ABP en pensioenfonds Zorg en Welzijn. De overheid zelf zit intussen krap bij kas en wordt vaak gehinderd door regelgeving die een actieve investeringstaak verhindert. Banken, het reguliere kanaal voor financiering van met name het midden- en kleinbedrijf, worden beperkt door hogere kapitaalseisen die hun bereidheid om te lenen hebben verminderd.

De behoefte aan financiering bestaat, de bereidheid bij beleggers om te financieren ook. Er is dus een rol voor een instelling die beide bij elkaar brengt en financiering en propositie zo structureert dat vraag en aanbod elkaar soepel vinden.

Er zijn wel drie kanttekeningen bij de NII te plaatsen. De eerste is dat de aanvechting om een dergelijke instelling op te richten, zeker niet nieuw is. Vrijwel elke recessie ging gepaard met het oprichten van investeringsbanken, ontwikkelingsmaatschappijen of innovatiefondsen op instigatie van de overheid. Als de economie vervolgens aantrok, verviel de urgentie en daarmee in wezen het bestaansrecht. Tweede kanttekening is dat de noodzaak voor een NII mede wordt veroorzaakt door het feit dat financiering in Europa nog steeds hoofdzakelijk bancair is, in tegenstelling tot de VS waar de financiële markten veel beter ontwikkeld zijn en de uitgifte van openbare en verhandelbare leningen ook voor kleinere bedrijven of projecten levensvatbaarder is.

Een NII zal daarom niet alleen tijdelijk moeten inspringen bij gebrek aan bancaire financiering, maar ook moeten bijdragen aan een structurele overgang van bancaire naar openbare financiering. En hier is de derde kanttekening op haar plaats: de rol van de overheid. Dat er op hypotheekgebied een achtervang van de staat vereist is, valt nog te verdedigen. Maar bij andere taken zal het toch echt de markt en niet de overheid moeten zijn die de knelpunten oplost. Garantstellingen van staatswege zijn er al meer dan genoeg.