Het grote nut van het stopwoordje ‘eh’

Eh zeggen staat in laag aanzien, maar het is een nuttige element van de spreektaal. Na eh volgt vaak nieuwe informatie.

Alles wat we zeggen heeft betekenis. Ook het woordje eh. Want wie eh zegt geeft aan dat hij even aarzelt, maar ook dat hij graag nog even aan het woord wil blijven. Voor de gesprekspartner is het dan net wat lastiger om de ander in de rede te vallen.

En daarnaast interpreteert de luisteraar dat eh – onbewust! – als een signaal dat er iets belangrijks komt: iets wat moeilijker te formuleren is, wat minder voorspelbaar is, iets onverwachts. De luisteraar anticipeert daarop, luistert met net wat meer aandacht, wat de verwerking van de informatie die dan volgt aanzienlijk vergemakkelijkt. Taalonderzoeker Hans Rutger Bosker promoveert morgen in Utrecht op dit nut van eh.

Bosker deed verschillende experimenten. In een daarvan kregen proefpersonen telkens twee afbeeldingen op een beeldscherm te zien, bijvoorbeeld een hand (‘hand’ is een veel voorkomend woord) en een naaimachine (‘naaimachine’ is een woord dat weinig gebruikt wordt). De proefpersoon kreeg daarbij een opdracht te horen, bijvoorbeeld ‘Klik op de hand’ dan wel ‘Klik op de eh hand’. Met gespecialiseerde apparatuur werd zeer nauwkeurig in de gaten gehouden waar de proefpersoon naar keek (eye tracking). Bij ‘Klik op de eh...’ keken de proefpersonen, vlak voordat het woord ‘hand’ of ‘naaimachine’ klonk, naar verhouding vaker naar het plaatje van de naaimachine. Bosker concludeert daaruit dat een luisteraar na een eh eerder een minder frequent woord verwacht.

Zo werkt het tenminste als degene die de opdracht uitspreekt een moedertaalspreker is. Als de opdracht komt van iemand die de taal (Nederlands in dit geval) als tweede taal spreekt, een buitenlander met een stevig accent, dan is dat effect er niet. De luisteraar weet dat niet-moedertaal-sprekers met veel meer ehs en andere aarzelingen spreken en gaat er blijkbaar – opnieuw onbewust – van uit dat een eh in dat geval geen voorspellende waarde heeft.

In een ander experiment bleek dat woorden die na een eh gezegd zijn net even beter worden onthouden. Er is blijkbaar na een eh sprake van een verhoogde aandacht bij de luisteraar. Wat handig en efficiënt is. In vrijwel iedere zin wordt iets wat al bekend is gecombineerd met nieuwe informatie. Die nieuwe informatie kost meer moeite om te formuleren, en ook – voor de luisteraar – om te verwerken.

Eh heeft dus nut. Maar het heeft ook een stigma. Praten zonder haperingen is het ideaal. Uit het onderzoek van Bosker blijkt echter dat die haperingen de communicatie niet altijd hinderen, integendeel.

Desondanks bestaat bij het grote publiek het idee dat vaak eh zeggen een beetje dom overkomt. Amerikaanse presidenten bijvoorbeeld doen heel erg hun best om in toespraken geen eh te zeggen. Iemand heeft ooit naar alle inauguratie-redes van Amerikaanse presidenten van 1940 tot 1996 geluisterd en hoorde daarin geen enkele eh of ehm.

Ook Obama zegt liever geen eh. Wel laat hij altijd op de juiste plekken in zijn betoog even een korte pauze vallen: precies voor de woorden die nadruk verdienen. Zo’n korte pauze heeft op de luisteraar hetzelfde effect als een eh: let op, nu volgt het meest informatieve stukje van de zin.

Ook in Sesamstraat doen ze dat zo. Daar zeggen ze niet „Dit is een komkommer” maar „Dit is een... komkommer!”.