Opinie

Onbereikbare liefdes

Liefdesbrieven schrijven is ook een kunst. Hoe vermijd je de sentimenteelste en voorspelbaarste clichés? Is vleien verstandig? Mag je het zinnetje ‘Ik hou van jou’ überhaupt nog wel gebruiken? Wie er problemen mee heeft, raad ik de lectuur van Ivan Toergenjev aan, de Russische schrijver die van 1818 tot 1883 leefde.

In een antiquariaat stuitte ik op Brieven van I.S. Toergenjev, een nog puntgaaf, bijna dertig oud deel uit de Privé-domeinreeks van De Arbeiderspers. Toergenjev was een verwoed brievenschrijver: er zijn meer dan 6.000 brieven van hem bewaard gebleven. Tom Eekman selecteerde en vertaalde er een aantal, waaronder veel brieven aan Toergenjevs vriendinnen.

Toergenjev had een eigenaardig liefdesleven. Hij hield vooral van één vrouw, de Spaans-Franse zangeres Pauline Viardot, maar hij had de pech dat zij al getrouwd was en kennelijk niets voor een scheiding voelde. Het is onbekend of zij ooit een seksuele relatie hebben gehad, maar zeker is dat zij op hem gesteld was en hij stapelgek op haar was. Hij heeft haar bijna zijn hele leven gevolgd, logeerde bij haar en haar man of woonde bij hen in de buurt. Met Paulines echtgenoot kon hij het goed vinden.

Toergenjev schreef Pauline meer liefdevolle brieven dan zij hem – die van haar zijn helaas niet bewaard. Af en toe had hij een andere vriendin, maar Pauline was, zoals hij eens schreef, „de enige vrouw van wie ik houd en altijd zal houden”.

Misschien moeten we een uitzondering maken voor een vrouw die zes jaar voor zijn dood in zijn leven opdook: Maria Savina, een Russische actrice die de hoofdrol speelde in zijn toneelstuk Een maand op het land. Ze had net als Pauline zwarte ogen, zwart haar en mooie handen. Zij was 25 jaar, hij 60, waarmee ook zij in zekere zin een vrijwel onbereikbare liefde voor hem werd.

Zijn (37) brieven aan Maria zijn dan ook vervuld van diep liefdesverdriet. Aanvankelijk was hij hoopvol gestemd: „En nu, steek me uw beide mooie handen toe zodat ik ze kan kussen met dat tedere (half-vaderlijke, half-…iets anders) gevoel dat ik voor u koester.” Maar al snel is er sprake van „allerlei diplomatieke ‘wrijvingen en strubbelingen’”.

Hij lijkt niet echt vat op haar te krijgen, ze heeft misschien zijn aandacht nodig, maar niet zijn liefde. Ze heeft hem eenmaal intens gezoend, bij zijn huis in Spasskoje, „op het terras, aan het eten, na de champagne”. „Maar ik durf je daar nauwelijks aan te herinneren”, schrijft hij later voorzichtig. Hij zal er de rest van zijn leven op moeten teren.

„Lieve Maria Gavrilovna”, schrijft hij op 21 augustus 1880, „ik ben niet te spreken over ons weerzien. We zijn bij elkaar gekomen en weer van elkaar gegaan als beleefde onbekenden.” Zijn brieven worden wanhopiger en smartelijker – én prachtiger.

„Ik weet zeker dat, als onze levens elkaar eerder gekruist hadden…” schrijft hij op 19 juni 1882. „Maar waar dient dit toe? Zoals mijn Duitser Lemm in Het Adelsnest, kijk ik in het graf, niet naar een roze toekomst. Vergeef me dat ik zulke trieste dingen schrijf; maar met jou kan ik niet anders zijn dan ik ben. Bedenk dat door alles heen één ding doorklinkt: dat ik erg, erg veel van je houd. (…) Ik kus je handen duizend maal – en alles wat je me toestaat te kussen, en ik blijf voor altijd je trouwe vriend I.T.”

Ruim een jaar later stierf hij, in het bijzijn van Pauline Viardot.