Wendes nieuwe ‘Winterreise’ is schokkend en fascinerend

Singer/songwriter Wende zingt Winterreise, 24 gedichten over verloren liefde van Wilhelm Müller, die ze niet kende in de versie van Schubert. Vrij van de traditie rond dit monument van de liedkunst draagt ze de teksten voor op muziek van Boudewijn Tarenskeen, die eerder een nieuwe versie maakte van Bachs Matthäus. Wende ‘zingt’ niet zozeer, ze gebruikt op fabuleuze wijze alle vocale technieken. Die herinneren aan het Sprechgesang van Lotte Lenya in Die Dreigroschenoper en van Barbara Sukowa in Im wunderschönen Monat Mai van Reinbert de Leeuw. Schreeuwend, weifelend, kinderlijk, prevelend en stil, ook lopend, dansend en stampvoetend is ze een uur lang een dwars meisje, alleen in de sneeuw zoekend naar houvast.

In de nieuwe muziek van Tarenskeen is de Schubertsfeer nooit ver weg, pianist Gerard Bouwhuis speelt twee lange soli. Het zijn betogende monologen, want er is nog een andere laag: de rivaliteit tussen zanger en begeleider tijdens een klassiek recital. In de regie van Gerardjan Rijnders is de pianist ook haar ex. Bouwhuis is afwisselend geamuseerd en geërgerd. Uiteindelijk geeft hij het op en stopt met spelen. Wende gaat nog lang door, plukt noten uit de lucht en vindt nieuwe hoop in Der Leiermann. Dat slotlied staat altijd voor de dood maar biedt hier hoop: draaiend aan zijn lier lijkt hij een nieuwe begeleider op haar levensweg. Idee, uitwerking en uitvoering zijn fenomenaal, het geheel is schokkend en fascinerend.