Hoge salarissen en tegen kromme bananen: zeven mythes over de EU

Iedereen heeft vooroordelen over Europa. Bananen mogen niet krom zijn, Europarlementariërs zijn zakkenrollers en de armere lidstaten kosten Nederland klauwen met geld. Wat klopt er van de roddels? Correspondent Caroline de Gruyter zet de feiten en fabels op een rij.

Leden van het Europees Parlement tijdens een plenaire sessie in Straatsburg.
Leden van het Europees Parlement tijdens een plenaire sessie in Straatsburg. EPA / Patrick Seeger

Iedereen heeft vooroordelen over Europa. Bananen mogen niet krom zijn, Europarlementariërs zijn zakkenvullers en de armere lidstaten kosten Nederland klauwen met geld. Wat klopt er van de roddels? Correspondent Caroline de Gruyter zet de feiten en fabels op een rij.

1. De Europese begroting is erg hoog

Wie vindt dat we zonder Europa kunnen, vindt elke Europese begroting te hoog. Wie vindt dat er meer Europese samenwerking moet komen, zal het omgekeerde zeggen. Uit de kale feiten blijkt dat de Europese begroting een fractie is van de som van nationale begrotingen: minder dan 1 procent. Die begroting wordt steeds voor zeven jaar vastgelegd omdat ‘Europa’ vooral langetermijnprojecten financiert zoals de aanleg van grensoverschrijdende gasleidingen (nuttig nu we minder afhankelijk willen zijn van Russisch gas!), Erasmus-studiebeurzen of het schoonhouden van de Noordzee.

Regeringsleiders bepalen de hoogte van de Europese begroting, niet ‘Brussel’. Vorig jaar hebben zij de Europese begroting voor 2014-2020 vastgepind op 908 miljard euro. Daarmee ging de begroting voor het eerst in de geschiedenis omlaag, niet omhoog: afgelopen zeven jaar was ze nog 1,12 procent van de nationale begrotingen. In een periode waarin Europa is uitgebreid en extra taken heeft gekregen (zoals buitenlandse dienst, bankentoezicht) doet Europa dus méér met minder geld.

De gemiddelde burger spendeert zo’n 65 cent per dag aan de EU. Overigens vloeit 94 procent van de Europese begroting, in de vorm van projecten en subsidies, terug naar de lidstaten. Het zijn zelfs nationale en lokale overheden die het grotendeels uitgeven, niet Brussel (vandaar dat de Rekenkamer altijd constateert dat onrechtmatigheden vooral in de lidstaten voorkomen). Burgers stoppen dus zeker geld in Europa, maar krijgen bijna alles op een andere manier weer terug.

2. De Europese ambtenaren verdienen veel

Van de Europese begroting gaat 94 procent naar projecten (zie hierboven) en 6 procent naar interne administratie. Van die 6 procent worden onkosten, gebouwen, salarissen en pensioenen betaald. Daarmee is de EU, in weerwil van indianenverhalen, superslank. Bij de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de EU, zijn 32.000 ambtenaren in vaste dienst, onder wie honderden tolken en vertalers. Bij Nederlandse ministeries werken 120.000 mensen. Overigens heeft de Commissie sinds 2004 een personeelsstop, waarbij alleen vertrekkers vervangen worden. Tussen nu en 2020 moet er 5 procent uit.

Europese ambtenarensalarissen zijn naar Nederlandse (publieke) begrippen hoog, mede door de lage belastingtarieven voor EU-werknemers. Maar naar Scandinavische of Italiaanse begrippen zijn ze dat niet. Om de beste mensen uit de lidstaten zover te krijgen naar Brussel te komen, zijn die salarissen destijds expres hoog ingeschaald: een EU-administratie met slecht betaalde, ongemotiveerde kneuzen uit alleen arme landen leek niemand een goed idee. Sinds de uitbreiding met tien landen in 2004 worden nieuwkomers lager ingeschaald dan vroeger – waardoor een Pool eenderde minder verdient dan zijn Nederlandse collega die hetzelfde doet maar een paar maanden eerder binnenkwam.

Europese salarissen zijn gekoppeld aan verhogingen (of verlagingen) van nationale ambtenaren in acht lidstaten. Tijdens de crisis is die koppeling losgelaten: Europese ambtenaren leverden meer in dan nationale ambtenaren. Terecht of niet, gevolg is wel dat de Commissie grote moeite heeft Denen en hun buren te rekruteren.

Van links naar rechts: Alexis Tsipras uit Griekenland, Ska Keller en Martin Schulz uit Duitsland, Jean-Claude Juncker uit Luxemburg en Guy Verhofstadt uit België. Zij strijden om het presidentschap van de Europese Commissie. AP / Yves Logghe

3. Nederland betaalt meer aan de EU dan andere landen

Als je alleen naar de Europese begroting kijkt, zie je dat Nederland relatief een van de grootste contribuanten is. In 2012 droeg Nederland volgens berekeningen van het ministerie van Financiën 6 miljard aan de Europese begroting af en ontving het 2,1 miljard. Daarmee ‘kost’ het EU-lidmaatschap ruim 200 euro per Nederlander per jaar. Nederland zegt zelf dat wij het meest betalen van alle EU-landen. Anderen betwisten dit, en zeggen dat Duitsland meer betaalt – Nederland mag relatief meer douanegelden zelf houden (Rotterdam!) dan andere landen, en zou dat niet meetellen.

Hoe dan ook, sinds 2005 draagt Nederland meer af dan het krijgt, omdat het een superrijk land is. De EU spendeert een deel van haar budget aan ontwikkeling van armere landen of streken – dat solidariteitsprincipe, waar Nederlanders niet graag aan worden herinnerd, is altijd een van de basisprincipes van de Europese Unie geweest. Door de uitbreiding met tien nieuwe, vrij arme landen in 2004, valt deze calculatie in het nadeel van Nederlands uit.

Maar wie pushte het hardst voor die uitbreiding? Juist, Nederland (met de Britten): omdat het er als handelsnatie profijt van dacht te hebben. Als er één land is dat van de interne Europese markt profiteert, is het Nederland. Het is een van de grootste investeerders in veel Oost-Europese landen. In 2008 berekende het Centraal Planbureau dat Nederlanders per jaar, per persoon, 1.500 tot 2.000 euro verdienen aan EU-handel. Dat zie je alleen niet in de Europese begroting terug.

De economische groei in de eurozone. AFP

4. De EU is ondemocratisch, niet-gekozen bureaucraten beslissen

Bijna alle besluiten in Europa worden door nationale ministers of regeringsleiders genomen, en zijn voorbereid door nationale ambtenaren. Fel bekritiseerde Europese beslissingen van de laatste tijd, zoals de oprichting van het euronoodfonds, zijn zeker in ‘achterkamertjes’ genomen, maar wel door nationale ministers, elk gewapend met een veto. Sommige ministers, zoals de Nederlandse, worden zelfs vóór ze naar zo’n Brusselse vergadering gaan, door hun eigen parlement aan banden gelegd.

Veel Europese besluiten moeten tegenwoordig door het Europees parlement worden goedgekeurd. Deze mensen zijn misschien impopulair in eigen land, maar ze zijn wel direct gekozen. De fameuze technocraten die Brussel bestieren, zijn ambtenaren van de Europese Commissie. Zij kunnen niets beslissen, alleen voorstellen doen voor Europese wetgeving. Eerst schieten ministers daar gaten in, vervolgens gaat het Europees Parlement eroverheen.

Ondemocratisch is dit niet. Alleen, het werkt met het oude systeem van (nationale) vertegenwoordigers, terwijl burgers tegenwoordig meer directe democratie willen. Daarom zijn er veel debatten om de Europese democratie aan die wens aan te passen. Dit kan betekenen dat de Europese politiek dan minder nationaal georganiseerd wordt: dat er bijvoorbeeld een gekozen president komt. Burgers vinden dit misschien leuk, maar nationale regeringen minder.

5. Kleine landen hebben weinig te zeggen in Europa

Grote landen als Duitsland hebben meer Europarlementariërs en de stem van hun ministers telt zwaarder als over heikele kwesties met gekwalificeerde meerderheid moet worden beslist. Toch weegt Duitsland met vijfmaal zoveel inwoners als Nederland, maar ruim tweemaal zo zwaar. Dit is expres gedaan, om te voorkomen dat de groten de kleintjes overrulen.

Achter de schermen kunnen de groteren natuurlijk harder dreigen en intimideren dan kleintjes. Maar op het gebied van de euro of buitenlandse politiek heeft een Nederlandse minister hetzelfde veto als een Fransman of een Fin – al zal de Nederlander of Fin het minder snel gebruiken omdat hij of zij als kleintje ‘zijn plaats kent’. Bij de Europese Commissie hebben alle 28 eurocommissarissen één stem. Bij de Europese Centrale Bank heeft de Duitse centrale bankgouverneur (tot zijn frustratie) evenveel te vertellen als die van Cyprus.

Het Europese systeem beschermt dus kleine landjes. In een EU die alsmaar groter wordt, waarin de stem van Nederland dus relatief kleiner wordt, wordt dat belangrijker voor Nederland. Daarom wil premier Rutte, bepaald geen Europees federalist, altijd dat nieuwe Europese regelingen door de Commissie worden bewaakt: dat garandeert dat de kleintjes gehoord worden. Grote landen willen het vaak intergouvernementeel regelen. En als de groten onderonsjes houden, weet Rutte, walsen ze meestal over de kleintjes heen.

Van links naar rechts: Helle Thoring Schmidt (Denemarken), Mark Rutte, Donald Tusk (Polen) Laimdota Straujuma (Letland) en president van de Europese Commisie Jose Manuel Barroso. ANP / Jerry Lampen

6. Sinds de euro is alles duurder

Dit misverstand achtervolgt de euro vanaf de eerste dag (virtueel in 1999, munten en biljetten in 2002). Uit peilingen blijkt, al jaren, dat veel mensen dit geloven. Toch is de inflatie sinds de euro redelijk laag gebleven, gemiddeld onder de 2 procent – de Europese Centrale Bank heeft daar vanwege Duitse gevoeligheden fanatiek op gelet.

Nu is de inflatie zelfs gevaarlijk laag: in diverse landen dalen de prijzen, wat economische stagnatie veroorzaakt. Het enige dat aantoonbaar duurder werd door de euro, is de horeca. Caféhouders hebben de prijzen bij het omzetten flink naar boven afgerond. Olie was een poos duur, maar dat kwam niet door de euro. Ook prijzen van openbaar vervoer en andere dienstverlening zijn gestegen, maar dat gebeurde buiten de eurozone ook.

Veel dingen binnen de eurozone zijn afgelopen jaren goedkoper geworden, zoals telefoneren. Een Belgisch tv-team dat in 2001 en 2005 bij drie supermarkten dezelfde spullen kocht, was bij twee van de drie winkels goedkoper uit. Maar kennelijk is de perceptie van mensen bepalend. En misschien zijn ze meer gaan uitgeven, omdat de euro vergeleken met oude munten zo ‘weinig’ leek.

7. Bemoeizuchtig Europa regelt idiote details

Als je één markt opzet voor auto’s, drinkyoghurt en verzekeringen, moeten alle deelnemers op die markt het over hetzelfde hebben. Er zijn definities nodig, anders gaat het mis. Dat geldt nationaal ook. De Britten klagen over Europese ‘red tape’, maar vaardigen jaarlijks meer gedetailleerde verordeningen af dan Europa.

In Brussel hebben nationale ambtenaren jaren slag geleverd over de ‘ontbijtrichtlijn’. „Hoeveel suiker mag er in muesli zitten?”, was een van de vragen. Een land had namelijk een regeling ingevoerd die suiker in muesli beperkte, waar alleen een nationale producent aan voldeed – en hield zo buitenlandse muesliproducenten buiten de deur. Die klaagden bij de Europese Commissie over discriminatie. Dus moest het Europees afgesproken worden, met één norm. Zo gaat het ook met koplampen, aanstekers, en ga zo maar door. Dit kan tot absurditeiten leiden, zoals de regel dat elke gast in een restaurant een verzegeld flesje olijfolie moet krijgen om zeker te zijn dat hij of zij goede olie krijgt en niet een halffabrikaat van het neefje van de kok. Deze regel werd na klachten geschrapt.

Veel verhalen over Brusselse bemoeizucht kloppen trouwens niet, en zijn bedacht door Britse kranten. Voorbeeld: ‘EU verbiedt kromme bananen’. Dat klopt niet. Er is wel een regel gemaakt, op aanvraag van producenten en consumenten, dat kromme bananen een bepaald label moeten hebben. Kennelijk eten mensen liever rechte bananen. De hoofdreden voor Europese regels is vrijwel altijd marktverstoring, niet ‘bemoeizucht in Brussel’. Brussel probeert regels te verminderen, maar lidstaten blokkeren dat vaak om hun bedrijven te beschermen.