Zo maak je een baby

Reportage

Hoe zou ons kind eruit zien? Wordt het gezond? Door genonderzoek zijn dat binnenkort geen hypothetische vragen meer. Redacteur Lucas Brouwers berekende zijn zoon.

Foto’s: Arjen Born

Woensdagochtend. Pling. Het DNA-profiel van mijn zoon verschijnt in mijn inbox. Ik bel meteen mijn vriendin. „Hij is er!” Die avond zitten we op de bank, laptop op schoot. Samen openen we zijn rapport. Onze eerste vraag: hoe ziet hij eruit?

Blauwe ogen en donker, krullend haar, lezen we. We kijken elkaar aan. Die donkere haarkleur, die snappen we wel. Maar blauwe ogen? Zij heeft groene ogen, die van mij zijn donkerbruin.

De tweede vraag: is hij gezond?

We scrollen naar beneden. Gelukkig: ernstige erfelijke afwijkingen heeft onze zoon niet. Wel blijkt hij drager te zijn van een mutatie voor een ijzerstapelingsziekte, een stofwisselingsziekte waarbij ijzer zich tot giftige concentraties opstapelt in organen. Dat heeft hij van mij. En mocht hij oud worden, dan heeft hij een bovengemiddeld risico om dement te raken. Dat heeft hij van zijn moeder.

Ons kind is nog niet geboren. Mijn vriendin is niet eens zwanger. Nee, onze zoon bestaat alleen virtueel, op mijn computer. Zijn DNA-profiel is de uitkomst van een digitale bevruchting: één voor één zijn al onze genen naast elkaar gelegd en door elkaar gehusseld. Hij was het resultaat.

Sinds deze week maakt én verkoopt een Amerikaanse organisatie op deze manier digitale baby’s. Het jonge bedrijf GenePeeks ontwikkelde en octrooieerde een methode om het DNA van twee personen digitaal te versmelten tot virtueel nageslacht. Daaruit kan GenePeeks afleiden welke fysieke eigenschappen kinderen hebben en welke aanleg zij zouden hebben voor verschillende ziekten, zonder dat er één eicel is bevrucht.

GenePeeks zal in eerste instantie samenwerken met twee spermabanken. Wensmoeders die GenePeeks inschakelen laten hun eigen DNA laten combineren met dat van verschillende spermadonoren. Voor iedere combinatie van moeder en donor rekent GenePeeks de kans op een kind met erfelijke aandoening uit. Het bedrijf screent op vijfhonderd verschillende aangeboren afwijkingen en aandoeningen, van erfelijke epilepsie tot sikkelcelanemie, een bloedziekte waarbij rode bloedcellen (normaal rond) vervormd zijn tot halve maantjes.

De vrouw of het stel met kinderwens krijgt uiteindelijk een lijst donoren terug. De spermadonor die genetisch het best op de moeder aansluit staat bovenaan. Risicodonoren zijn eruit gewied. Kosten van zo’n gepersonaliseerde donorcatalogus: ongeveer 2.000 dollar (1.400 euro). GenePeeks wil zo de kans verkleinen dat ouders via de spermabank een kindje met een ernstige erfelijke aandoening krijgen.

De test van Genepeeks is pas net beschikbaar en alleen interessant als je een spermadonor zoekt. Koppels die nieuwsgierig zijn naar hun gezamenlijke virtuele nageslacht, kunnen nog niet bij GenePeeks terecht.

Mijn vriendin en ik verwekten onze baby daarom thuis, en op de redactie. Dat is minder spannend dan het klinkt.

Ons kindje: 10,5 MB groot

Allereerst heb ik het DNA-profiel van mijn vriendin en mijzelf nodig. Ik bestel DNA-testen bij het Amerikaanse gentestbedrijf 23andMe. Dit is een individuele test, waarbij je DNA op duizenden posities in kaart wordt gebracht. De test van 23andMe is een stuk goedkoper dan die van GenePeeks: 100 dollar (72 euro).

Per post ontvangen we plastic buisjes. Die spugen we volgens instructie vol en sturen we weer terug naar de Verenigde Staten. Zes weken later staan onze DNA-profielen klaar om gedownload te worden. Mijn collega Milo Vermeulen, medewerker van het NRC Nieuwe Media Team, schrijft een computerscript dat de bevruchting vervolgens nabootst.

Ieder mens bezit alle genen in tweevoud (en dat in iedere cel). Kinderen erven van elke ouder één kopie van elk gen. Samen vormen die een nieuwe genenset. Het computerscript simuleerde dat grofweg. Het script koos ervoor elke genvariant willekeurig één van mijn DNA-profiel en één van dat van mijn vriendin, en voegde die samen in een nieuw bestand: onze baby.

Een nachtje rekenen, en het kindje is geboren, 10,5 MB groot. Zijn naam: genome_man_vrouw_combined.txt.

Het kind is eerst nog niet meer dan een lange lijst met letters. Om zijn DNA-profiel te interpreteren gebruik ik Promethease. Dat is een gratis programma dat genvarianten terugzoekt die in de wetenschappelijke literatuur verschenen zijn. Promethease stelt niet alleen vast of ons virtuele kindje een ernstige erfelijke aandoening heeft, zoals GenePeeks zou doen, maar maakt voorspellingen over ál zijn kwaaltjes en eigenschappen, rijp en groen door elkaar. Een strak rapport rolt mijn bureaublad op, vol met uitslagen over zijn gezondheid en karaktertrekken.

Parkinson en prostaatkanker

Nadat we zijn oog- en haarkleur hadden opgezocht mogen we kiezen: eerst het goede of eerst het slechte nieuws? >> >> Het wordt slecht.

De lijst is lang. Een greep: ons digitale kind heeft een verhoogd risico op Alzheimer, prostaatkanker en Parkinson. In ons hoofd strepen we dat weg tegen het goede nieuws: dankzij onze genen had hij ook een lagere kans op astma, autisme en de ziekte van Crohn.

„Is dat erg?”, vraagt mijn vriendin, en wijst naar een genvariant die ons kind een verhoogd risico op hart- en vaatziekten zou geven. „Nou, de meeste van deze uitslagen moet je met een korrel zout nemen”, zeg ik.

Want de meeste van deze voorspellingen zijn gebaseerd op correlaties: genvariant X komt vaker voor bij mensen met ziekte Y. Een causaal verband ontbreekt meestal. En soms is het onderzoek met weinig proefpersonen gedaan, of met mensen van een andere genetische achtergrond dan wij. Van een genvariant die vaker voorkomt onder Japanners met darmkanker, hoeft een Nederlander niet ziek te worden .

Toch is het afschuimen van een DNA-profiel verslavend. Giechelend lezen wij de voorspellingen over de zogenaamde kans op kaalheid van onze zogenaamde zoon (laag!). En er is meer, heel veel meer.

„Hij heeft de spieren van een sprinter.”

„Zomaar 3 IQ-punten erbij!”

„Wat? Hij kan het aan zijn plas ruiken als hij asperges heeft gegeten!”

High five.

We zijn eigenlijk best tevreden met onze bureaubladbaby.

Ik draag mutaties

Maar later, in de kroeg, ligt ons virtuele gezinnetje onder vuur. „Waarom wil je dat allemaal weten?”, vragen vrienden. „Wat als je echt iets ergs had gevonden? Dat jullie twee een grote kans hebben om een ziek kindje te krijgen?”

Dat had gekund. Die mogelijkheid hebben we van tevoren besproken.

In het ergste geval waren mijn vriendin en ik allebei drager van dezelfde recessief overervende aandoening, zoals bijvoorbeeld taaislijmziekte of sikkelcelanemie. Dragers van zulke mutaties worden zelf niet ziek, maar kunnen die mutatie wel doorgeven aan hun kinderen. Als een kind van beide ouders een defecte genkopie erft, krijgt het de ziekte. Veel mensen zijn drager van een ziekmakende mutatie zonder dat ze dat weten.

Ook ik.

Uit mijn DNA-profiel bleek dat ik een mutatie draag voor hemochromatose, de erfelijke ijzerstapelingsziekte waarbij ijzer zich opstapelt in bloed en organen. Een ijzerarm dieet gecombineerd met aderlating is de enige manier om de ziekte in toom te houden. Na een aderlating gaat het lichaam nieuw bloed aanmaken, daarbij verbruikt het overtollig ijzer.

Dat wist ik nog niet. Ik had zelfs nog nooit van deze ziekte gehoord. Niemand in mijn familie heeft het.

Stel mijn vriendin heeft een mutatie in hetzelfde gen. De kans dat ik mijn defecte genkopie doorgeef aan mijn kind is vijftig procent, de kans dat zij het doorgeeft ook. Dan is de kans één op vier (een half keer een half) dat wij samen een ziek kindje krijgen.

Maar mijn vriendin heeft die mutatie niet: onze kans op een kind met hemochromatose is daarom (nagenoeg) nul. Ik probeer mijn vrienden te overtuigen dat zulke kennis over dragerschap loont – ongeacht de uitslag. Als ons virtuele kind ernstig ziek zou blijken, hadden we meer tijd gehad om na te denken over het krijgen van echte kinderen. We zouden dan bijvoorbeeld adoptie kunnen overwegen, of een reageerbuisbevruchting gevolgd door embryoselectie.

Volendamse genen

In Nederland worden erfelijke aandoeningen bij het kind nu pas opgespoord als het al geboren is, met de hielprik of – bij vrouwen met een verhoogd risico – tijdens de zwangerschap. Als de foetus door een genetische afwijking gehandicapt of ernstig ziek blijkt heeft het koppel uiteindelijk maar twee opties: de zwangerschap afbreken of uitdragen.

Vóór de bevruchting onderzoeken of een stel met kinderwens mutaties draagt, heet in vakjargon ‘preconceptionele screening’. De Gezondheidsraad adviseerde in 2007 al om een grote pilot op te zetten om de haalbaarheid en effectiviteit van deze preconceptionele screening te onderzoeken, te beginnen met aandoeningen die in Nederland relatief veel voorkomen, zoals taaislijmziekte en de aangeboren bloedafwijkingen sikkelcelanemie en thalassemie. Dat is tot nu toe niet gebeurd.

Alleen in Volendam wordt, op kleine schaal, aan zulke preconceptionele screening gedaan. Omdat de meeste Volendammers afstammen van zeven ‘oerfamilies’, komen vier genetische afwijkingen hier bovengemiddeld vaak voor. In alle gevallen overlijdt het kind vroeg of komt het >> >> met een ernstige handicap ter wereld. Van de tweehonderd kinderen die ieder jaar in Volendam worden geboren, hebben er twee tot drie een van deze afwijkingen.

Klinisch geneticus Merel van Maarle van het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam heeft in Volendam daarom een kinderwensspreekuur opgezet. Na een gesprek en voorlichting wordt stelletjes met een kinderwens een genetische test aangeboden. Als man en vrouw allebei drager blijken van een mutatie in hetzelfde gen, hebben ze daarna drie opties.

De eerste: het risico accepteren en op natuurlijke wijze proberen een kind te krijgen. De kans op een ziek kind is dan één op vier. De tweede is preïmplantatie-diagnostiek. Daarbij worden eicellen in de reageerbuis bevrucht. Na een paar celdelingen wordt elk embryo genetisch onderzocht. Alleen de embryo’s zónder de aandoening worden daarna in de baarmoeder teruggeplaatst.

De derde is om tijdens de zwangerschap prenataal onderzoek te doen, door middel van een vlokkentest of vruchtwaterpunctie. Mocht daaruit blijken dat de foetus een aandoening heeft, dan kan het paar tot abortus besluiten.

In Groningen gaan genetici na de zomer met een breder opgezette proef van start. In het Universitair Medisch Centrum Groningen zullen honderd paren met een kinderwens op dragerschap van zeventig ernstige en ongeneeslijke ziekten worden gescreend.

Doet u maar een hoog IQ

Het is een voorzichtig en langzaam begin. Technisch is preconceptionele screening al mogelijk – zie het virtuele kind dat ik op eigen houtje verwekte. Waarom worden deze tests niet sneller ingevoerd, als de mogelijkheden zo veelbelovend zijn? Zoals met elke nieuwe voortplantingstechniek, bestaat er discussie over de ethische en praktische aspecten.

Wordt het krijgen van kinderen op deze manier niet compleet gemedicaliseerd? En waar ligt de grens? De keuze om te screenen op ongeneeslijke ziekten is misschien te rechtvaardigen, maar mag je ook kijken naar aandoeningen waar op zich goed mee te leven valt? Zoals kleurenblindheid, doofheid? En hoe zit het met de ouders in de dop die complete wensenlijsten hebben? „Doet u er ons maar eentje met blauwe ogen en een hoog IQ.”

Dat laatste scenario is onwaarschijnlijk. Je kunt de kans op blauwe ogen wel laten uitrekenen, zoals ik heb gedaan, maar je zult in Nederland geen clinicus vinden die ook embryo’s op zulke cosmetische eigenschappen selecteren wil.

Genetici waarschuwen bovendien dat een preconceptionele test schijnzekerheid kan geven. Een allesomvattende test bestaat niet. Er bestaan duizenden verschillende erfelijke aandoeningen. GenePeeks gaat nu op vijfhonderd ziekten screenen, Groningen op zeventig en Volendam op vier.

Daar komt bij dat iemand nieuwe en onbekende mutaties kan dragen, waarvan genetici niet weten of iemand er ziek van wordt of niet. Garanties op een gezond kind bestáán niet. Dat zullen genetici op een of andere manier duidelijk moeten maken zodra ze preconceptionele testen aan gaan bieden.

Daten met een klodder spuug

Alle verhitte kroegdiscussies over screening en het krijgen van kinderen ten spijt, in die fase zitten mijn vriendin en ik nog lang niet. Wij zijn die andere potentiële markt die virtuele babybedrijfjes kunnen aanboren: het verliefde stelletje of het nieuwsgierige koppel dat even wil fantaseren of een toekomstig kindje sproetjes krijgt of niet.

Is dat medisch zinvol? Nee.

Leuk? Zeker.

Een virtueel kind verschilt in dat opzicht niet veel van de ‘pretecho’, waarbij koppels voor de lol een extra echo laten maken van hun kindje.

En GenePeeks voorziet nóg een toepassing van virtuele baby’s in hun octrooi. Halverwege valt te lezen dat de dienst ook gebruikt kan worden door mensen die op zoek zijn naar een partner: ‘Individuen kunnen een partner selecteren op basis van de gewenste en ongewenste kenmerken van het virtuele nageslacht.’ DNA-dating dus.

Je kunt er vergif op innemen: datingbureautjes die uitrekenen hoe goed je bij elkaar past op basis van een klodder spuug en een DNA-algoritme. Daar valt wat voor te zeggen, zolang het om dragerschap van ongeneeslijke, erfelijke ziekten gaat. Je kent elkaar toch niet en hebt nog geen hypotheek. Waarom dan niet de potentiële partners eruit filteren met wie je een mutatie deelt?

Maar ook hier geldt: leidt die illusie van maakbaarheid niet alleen maar tot teleurstellingen? Voortplanting blijft een risico, DNA-match of niet. Net als relaties zelf.

Thuis hebben we ons daar al bij neergelegd. Deze pientere, verslavingsgevoelige jongen met donker haar en blauwe ogen, en met een fikse kans op prostaatkanker, hebben wij al in ons hart gesloten. Digitaal of niet. <<