In de frontlinie van de grote stad

Feijenoord is de eerste echte multiculturele hockeyclub in Nederland. Een jonge club die opbloeit in achterstandsbuurten. „Wij hebben vooral een groot maatschappelijk doel.”

Foto’s Robin Utrecht

Een beetje onwennig kruipen de meisjes van hockeyclub Waddinxveen uit de auto. Hier even geen aangeharkt sportpark in de luwte van een lommerrijke buitenwijk. Nee, hun eindbestemming is een modderig parkeerterreintje in Rotterdam-Zuid, begrensd door een betonnen muur vol graffity. ‘La vida loca’ staat er in koeienletters. Het gekke leven.

De muur was niet zo lang geleden vrijplaats voor duistere zaken, het terrein stortplaats voor de bouw. Maar nu speelt Feijenoord er, met afstand de meest excentrieke hockeyclub van Nederland.

Eén kunstgrasveld en een soort bouwkeet als toekomstig clubhuis. En spelers die allemaal een kleurtje hebben. Zelden was voor Waddinxveen ‘uit’ zo anders.

De meisjes E5 duiken snel in een dug-out. Schuilen kan nergens en dat terwijl de regen met bakken uit de hemel komt. Zo primitief hebben de gasten het nog niet meegemaakt.

Rotterdam staat maar moeilijk op uit het chagrijn van deze zaterdagochtend. Regengekletter vermengt zich met het gebonk van een passerende intercity, de sirene van een ziekenauto, optrekkende auto’s bij het stoplicht. Hockey in de frontlinie van een havenstad. De polder van Waddinxveen is even ver weg.

Hockeyclub Feijenoord is met zijn veldje op de Laan op Zuid een eilandje tussen wegen, water en rails. Club tussen twee werelden: aan de ene kant de Essalammoskee met zijn vijftig meter hoge minaretten, aan de andere kant de staketsels van het moderne leven: de wolkenkrabbers op de Kop van Zuid. „Dit is wel even wennen”, mompelt Reina Uittenbogaard, moeder van speelster Iris (8). „Maar mooi toch?”.

In de E2, die het vandaag tegen Waddinxveen moeten opnemen geen Esmee, Merel of Fleurine, maar: Safrata, Sayang en Sawera. Een bont clubje dat staat te rillen in de andere dug-out. Bont ook in uitrusting. Daar waar de tegenstanders in onberispelijk blauw tenue zijn gestoken, met de Rabobank als sponsor, hockeyt Safrata in een wit T-shirt met een strokenrokje van rood velours, en dribbelt Bonnie in fel gekleurde overknees rond. Terwijl groen en wit toch echt de clubkleuren zijn.

„Stoppen!”, schreeuwt Joao Baptista herhaaldelijk tegen haar eigen keeper. De coach van de E2 is in 1997 uit Angola naar Nederland gekomen. In Afrika had ze nog nooit van hockey gehoord, daar kende ze alleen voetbal en basketbal. Nu staat ze als hockeymoeder langs het veld te kleumen. Moeilijke sport, zegt ze, al die lastige regels zoals shoot: „Oh, die voeten, voeten, voeten.” Tijdens de uitwedstrijd in Waddinxveen was Joao in traditionele kledij en geknoopte hoofddoek nog het veld in gerend en had ze de bal uit het eigen doel geschopt. „Dat was wel even apart”, zeggen de ouders van Waddinxveen. „Maar ach, het went.”

Wat vier jaar geleden is begonnen als ideetje van hockeyer Paul Veldhuijzen (51), drijvende kracht achter Feijenoord, is uitgegroeid tot een hockeyclub met 150 leden, ongeveer evenveel jongens als meisjes. Zestig procent is allochtoon: kinderen uit de Antillen, Suriname, Marokko, Kaap-verdië. Het aantal competitieteams is gegroeid van drie in 2011 naar negen nu. Volgend seizoen heeft Feijenoord zestien jeugdteams. „Er is nog ruimte voor een tweede kunstgrasveld”, zegt Veldhuijzen, wijzend op een modderpoel vlakbij het huidige veld.

Hij was als accountmanager van opleidingsinstituut Zadkine al bezig met „kids die tussen de wal en het schip raakten”. En als actief lid van de Rotterdamse hockeyclub Leonidas bekend met de sport.

De tijd was rijp voor een project dat culteren zou ‘verbinden’. Rotterdam werkt al jaren hard aan de leefbaarheid in de ruim tien probleemwijken, waarvan de meeste in Zuid. De havenstad was gewaarschuwd door de rellen met Noord-Afrikaanse jongeren in de Parijse banlieues. „Met een paar sticks zijn we de wijken ingetrokken. Begonnen op het kunstgrasveldje van het Afrikaanderplein, daar waar ooit Feyenoord is begonnen”, vertelt Veldhuijzen. Op Katendrecht, vlakbij het huidige hockeyveld, stond een mobiele ‘duimdropkeet’ met spelmateriaal. Hufterproof en ook voorzien van hockeysticks en ballen. „De kinderen bleken het heel leuk te vinden.”

Toen Veldhuijzen voor ondertekening van de verenigingsakte bij de notaris was, gaf deze een welgemeende waarschuwing. ‘Weet waar je aan begint, deze sport is een blank bolwerk.’ Veldhuijzen, zoon van Indonesische ouders en daarom ook met „een kleurtje”, kent de barrières. Hockey heeft van oudsher een elitair karakter, een blanke sport met nogal gelijkgestemde mensen. Maar hockey, wist Veldhuijzen , is ook de sport van de netwerken, van mensen die iets kunnen. Voor zijn initiatief had hij bekwame bestuurders nodig en die zijn ook gekomen: een hoogleraar informatiekunde, die zich onder andere met community based denken bezighoudt, als voorzitter een manager van een grote verzekeraar, een bankier. Ook de ‘yuppenflats’ op de Kop van Zuid, welgestelde buurt vlakbij Katendrecht , zorgen voor organisatorisch talent.

Het huidige bestuur is nog altijd grotendeels ‘blank’ en hoogopgeleid. „Want je moet met zo’n club extra hard duwen om ergens binnen te komen. Contacten hebben, brieven kunnen schrijven”, zegt Veldhuijzen.

De gemeente heeft het terreintje beschikbaar gesteld voor 1.300 euro per jaar. Voor het nieuwe kunstgrasveld en andere voorzieningen heeft Veldhuijzen al drie ton bij elkaar gepraat bij sponsors. Grote bedrijven die het doel sympathiek vinden, maar ook een projectontwikkelaar die kansen ziet in de upgrading van Rotterdam-Zuid door hockey.

Het onderwijs speelt een belangrijke rol in het succes van de club. Feijenoord komt op school en biedt de kinderen funky hockey in hun vertrouwde gymzaal. Soms komen de kinderen op advies van de gymleraar, soms zijn het drop-outs van andere sportclubs. Wie geen stick, bitje of bal kan betalen, krijgt die van Feijenoord. Op een eigen stick zijn de kinderen heel trots, denken dat die wel duizend euro kost. Voor de contributie kan het Jeugdsportfonds bijspringen. „Wij hebben vooral een groot maatschappelijk doel”, schetst hockeytrainster en pedagoge Marianne Dekker (25) die namens Feijenoord de scholen bezoekt en veel kinderen lid heeft gemaakt.

Feijenoord, vertelt de speelster van Leonidas, heeft niet altijd de makkelijkste kinderen. „De emoties kunnen oplopen. Sommige kinderen zijn eigenlijk onzeker. Wij proberen ze zoveel mogelijk veiligheid te geven.” Dekkers aanpak: structuur bieden en nooit discussiëren over je eigen regels. „Je moet voorkomen dat ze de dupe worden van het straatgedrag van sommigen. Als een speler in een spijkerbroek op het veld komt, is het mijn taak om te leren wat ze in de sport nodig hebben. De rest moet zich daar niet mee bemoeien. De sfeer is over het algemeen goed. De kinderen hebben een enorme drive.”

De clubregels zijn helder: een kind dat competitie wil spelen, moet een ouder hebben die wil rijden of coachen. Wie niet komt opdagen bij een training of wedstrijd, krijgt prompt een belletje.

Straffen helpt weinig, doceert Dekker. „Liever sla ik een arm om ze heen en vraag ze waarom ze te laat zijn. Daar kunnen ze vaak ook niets aan doen.” Dekker: „En er moet er ook nog worden gehockeyd.”

De E2 komt er na een heel behoorlijk seizoen dit keer niet aan te pas. Coach Joao Baptista ziet haar team met 10-1 verliezen. De Angolese blijft goedlachs als ze met haar dochter naar huis loopt. „De volgende keer pakken we ze.” Waddinxveen is dan al ver weg.