Opinie

Een cruciale minister opofferen? Zonde

Correspondent Den Haag Tom-Jan Meeus

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen?

Deze week:

speculeren over Dijsselbloem – en de vergeten Hollandse Piketty.

Ofwel:

Nederlandse misverstanden over herkomst en effectiviteit van (internationale) invloed.

illustratie hajo
illustratie hajo

De interessantste speculatie van dit moment gaat natuurlijk over Jeroen Dijsselbloem. Dat zou wat zijn: minister van Financiën, stabiliserende factor van Rutte II, verruilt kabinet voor Europese Commissie. De man die, zoals een topambtenaar me vertelde, als een van de schaarse politici niet de hele dag naar zijn smartphone zit te staren.

Toen ik deze week begreep dat die speculaties geen totale onzin zijn, moest ik denken aan Bolkesteins vertrek naar de Commissie in 1999 – en het drama dat erop volgde. Maar ook aan de PvdA en de coalitie: waarom zouden ze deze man laten gaan?

Ik weet het: niemand kan voorspellen hoe de Brusselse benoemingencarrousel zal verlopen, en of Dijsselbloem daarin een rol krijgt. Te vroeg. Dus dit gaat niet over zijn kansen. Dit gaat erover dat Dijsselbloem binnen de coalitie, en binnen zijn partij, heeft laten merken dat hij, mocht Nederland kans maken op een bepaalde hoge post, erg positief staat tegenover een overstap.

En wie gelooft dat dit „nog niet speelt”, zoals dan wordt gezegd, moet even teruglezen hoe NRC-collega’s Petra de Koning en Derk Stokmans eind vorig jaar al schetsten dat Wouter Bos had bedankt voor een Europese kandidatuur. Zolang speelt het dus al.

Het kabinet, in casu de ministeries van Algemene Zaken en BuZa, en de PvdA-leiding (die partij is aan de beurt), moeten zich nu eenmaal voorbereiden op die carrousel: voordat je hoort welke posten je kunt krijgen, en wie kans maakt op die posten, moet je weten welke posities jij als land (en partij) wilt, en welke bestuurder die zou kunnen bezetten.

Dat Dijsselbloem oren heeft naar een hoogwaardig financieel-economisch eurocommissariaat, is zo gek ook al niet: wie in zijn partij jarenlang is gezien als ideale tweede man, te rechts om leider te worden, fleurt vanzelf op als hij in Europa wél wordt beschouwd – zie de eurogroep – als geschikte eerste man.

Het onhandige is alleen dat Dijsselbloems kennelijke voorkeur op gespannen voet staat met de belangen van de coalitie. En die van de PvdA.

Je hoeft geen professor in de politicologie te zijn om te zien dat de PvdA het zwaar heeft. Verhalen over soms escalerende spanningen tussen leidende coalitiepolitici (Rutte, Asscher, Zijlstra, Samsom) doen al weken de ronde. Over de ernst van die incidenten kun je twisten: coalities opereren nooit als vriendschapsverenigingen, en momenten van woede zijn lastig - maar luchten evengoed op.

Punt is dat juist Dijsselbloem vaak fungeert als bemiddelaar. Vicepremier Asscher is een harde: die gaat niet opzij, ook niet voor Rutte, als het spannend wordt. Bewindslieden als Kamp (Economische Zaken, VVD) en Teeven (Veiligheid en Justitie, VVD) weten dat het partijpolitieke resultaat verbetert naarmate je steviger weerstand aan de coalitiepartner biedt.

In dit krachtenveld is Dijsselbloem geregeld de go to person. Collega’s vertellen dat hij in de Trêveszaal uitvoerig meepraat over niet-financiële thema’s als onderwijs of vreemdelingenbeleid. En hoewel zijn opvattingen zich vaak op de rechterflank van de PvdA bevinden (of rechts daarvan), twijfelt niemand aan zijn partijpolitieke loyaliteit – wat hem voor PvdA’ers én VVD’ers betrouwbaar maakt. Er komt bij dat hij als niet-twitterraar (zijn account wordt beheerd door ambtenaren) in gesprekken een kalmte heeft die zeldzaam aan het worden is.

Dus de vraag is wat de PvdA eigenlijk zou opschieten met een hoge Brusselse post voor hem. Asscher heeft zich bewezen als bestuurder: zonder Haagse ervaring overeind blijven als vicepremier is geen kleinigheid. Timmermans (BuZa) heeft aanzien, Van Rijn (Volksgezondheid) presteert tot nu toe veel. Maar verder loopt deze PvdA-generatie niet over van bestuurlijk talent: ook dat pleit erg tegen een vertrek van Dijsselbloem.

Het enige tegenargument – een hoge internationale post geeft Nederland invloed – is typisch zo’n diplomatenwijsheid die nooit wordt getoetst. Wat die internationale invloed is kan niemand zeggen. Wat je eraan hebt ook niet.

Een vraag: wist Bolkestein, in 1999-2004 eurocommissaris voor de interne markt, de Hollandse invloed op de EU te vergroten? Niets van gemerkt. Hij vertrok naar Brussel kort nadat hij de VVD, nota bene als coalitiepartner in Paars, een historische uitslag bezorgde: 38 zetels. Dit hebben we geweten – en niet in Brussel, wel in Nederland.

De VVD-leider die de rechterflank zo knap afdekte liet zich opvolgen door de links-liberale Dijkstal. Zo viel het gat op rechts alsnog. Het populisme van de Leefbaren schoot wortel, Pim sprong op de trein – ten slotte haalde Volkert de trekker over. Nederland zou nooit meer worden wat het was.

Nodeloos te zeggen dat dit natuurlijk niet de schuld van Bolkestein was. Maar zonder zijn vertrek zou de VVD, en Paars, nooit zo kwetsbaar zijn geweest voor Fortuyn. Dus wat zijn ‘invloed’ in Brussel ook geweest moge zijn: zijn vertrek liet binnenslands veel diepere sporen na.

Over invloed gesproken: in een van de fraaiste studies naar politieke invloedsfactoren die ik de laatste tijd las, The Political Economy of Reform (OESO, 2009), worden hervormingen van de verzorgingsstaat in tien westerse landen onderzocht. Wat blijkt: niet de individuele politicus of de partijpolitieke kleur van een regering is bepalend voor de inhoud van beleid, maar het tijdvak waarin zij opereren.

Zo toont de OESO aan dat begin jaren negentig in bijna alle westerse landen de uitkeringen omlaag gingen, ongeacht de politieke kleur van nationale regeringen die dit besloten.

Over Piketty, de Franse econoom die zoveel aandacht krijgt met zijn ideeën voor herverdeling van vermogens, hoor je nu dat hij baanbrekend onderzoek heeft verricht. Feit is dat Nederland dertig jaar terug een eigen Piketty had: socioloog Nico Wilterdink publiceerde in 1984 Vermogensverhoudingen in Nederland.

Het leidde ook toen tot debat over hogere belasting op vermogens. Wilterdink, gepensioneerd hoogleraar sociologie, vertelde me aan de telefoon dat zijn boek veel publiciteit kreeg, zozeer dat PvdA-leider Den Uyl het thema oppikte. PvdA-denktank Wiardi Beckmanstichting vormde een werkgroep met talloze bekende namen, onder wie Wilterdink zelf.

Twee jaar later lag het boek in de ramsj en was de werkgroep verdwenen. Het waren de jaren van Thatcher en Lubbers. Minder overheid, meer markt, minder belasting. De Nederlandse Piketty strandde op de tijdgeest. „Het klimaat was er niet naar”, zei Wilterdink.

Met invloed speelt nog iets: wie een beetje oplet in Den Haag zal merken dat ware invloed belang heeft bij beslotenheid. Lobbyisten kunnen je stuk voor stuk uitleggen dat ze hun invloed alleen behouden wanneer ze er geen ruchtbaarheid aan geven. Ambtenaren leiden op dit gebied ook een dubbelleven: in het openbaar benadrukken ze loyaliteit aan de minister, onder elkaar weten ze dat hun invloed groter is naarmate de minister zich minder met hun dossiers bemoeit.

Uitgerekend deze week gaf VVD-kamerlid René Leegte, ooit politiek secretaris van Bolkestein (1994-1998), een rapport vrij over manieren waarop de Kamer haar invloed op de EU kan vergroten. Een van zijn aanbevelingen paste wonderwel bij de genoemde OESO-studie: wie zijn invloed op de EU wil maximeren, moet zorgen voor „vroege betrokkenheid” bij de ontwikkeling van beleid binnen de Europese Commissie.

Wat lobbyisten al decennia doen, moeten ambtenaren en parlementariërs dus ook leren. Niet wachten op wat de tijdgeest brengt, de tijdgeest naar hun hand zetten: dat is de effectiefste manier om, in Brussel en in Den Haag, invloed uit te oefenen. Nederlandse invloed in Brussel is kortom, behalve bespeling van het opinieklimaat, vooral een zaak van bureaucratische effectiviteit.

Nogal zonde om daar een cruciaal ministerschap als dat van Dijsselbloem aan op te offeren.

Noot: Onlangs ging het hier over lijstduwer Ingrid Newkirk van de Partij voor de Dieren, oprichter van dierenrechtenorganisatie Peta in de VS. Ik schreef dat Peta een „halve ton” „schonk” aan Rod Coronado (Dierenbevrijdingsfront, DBF) tijdens zijn vervolging voor brandstichting van een nertsenfarm. Dit bedrag, $45.200, ging niet naar Coronado maar naar zijn advocaten. Later schreef Coronado dat „financiële en juridische steun” van Peta standaard was als DBF-activisten „werden gedagvaard”.