Opinie

Alle politiek is lokaal, ook de Europese

Bij de eerste Europese verkiezingen, in 1979, ging bijna 62 procent van de Europese kiezers naar de stembus. De laatste keer, in 2009, was de opkomst maar 43 procent. In landen als Nederland gaan elke vijf jaar minder mensen stemmen.

Natuurlijk kun je dit zien als een uiting van de groeiende ontgoocheling over Europa, van euroscepsis. Het Europees Parlement heeft in de loop der jaren steeds meer macht gekregen. Tegelijkertijd hebben steeds minder kiezers, zeker jongeren, kennelijk het gevoel dat dit iets uitmaakt – anders zouden ze wel stemmen. Maar bij deze interpretatie zijn wel een paar kanttekeningen te plaatsen.

Allereerst blijkt uit uitstekende analyses van het parlement zelf, het International Institute for Democracy and Electoral Assistence (IDEA) en de Parijse denktank Notre Europe, dat een kwart van de kiezers in Europa in 1979 nog wettelijk verplicht was naar de stembus te gaan. In Italië bijvoorbeeld. Nu hebben alleen België, Luxemburg en Griekenland nog opkomstplicht – amper 4 procent van het Europese electoraat.

Ook blijkt dat de opkomst lang niet overál daalt. In 2009 daalde ze in tien landen. In zeven landen ging de opkomst omhoog en in acht landen bleef ze stabiel. De dalers zijn de dichtstbevolkte landen van Europa, waaronder Nederland en Groot-Brittannië, waar driekwart van de kiezers woont en 63 procent van de zetels wordt verdeeld. Dit drukt zwaar op het gemiddelde. Bij de dichtstbevolkte landen zie je nu ook Polen en Roemenië staan. In 2009 hadden zij extreem lage opkomsten: Polen 25 procent, Roemenië 28 procent. Maar in beide landen is de Europese Unie erg populair. Volgens peilingen staat die populariteit in Polen nu op 83 procent, mede vanwege de Oekraïne-crisis; door het optreden van president Poetin beseffen Polen waarom ze liever bij Europa willen horen dan bij Rusland.

Euroscepsis verklaart in die twee ‘nieuwe’ landen dus niet de lage opkomst. Ook de opkomst bij nationale verkiezingen blijkt daar zeer laag. In Frankrijk doet zich hetzelfde voor. Franse burgers interesseren zich volgens peilingen meer voor Europa dan voorheen, en toch verwacht men een historisch lage opkomst (zozeer, dat Marine Le Pen eurosceptici begint te manen om vooral niet thuis te blijven). Kennelijk dalen nationale opkomsten in de EU gemiddeld ook al jaren, zij het minder hard. Waarom?

Door de afstand tussen de kiezer en de Europarlementariër, oppert Yves Bertoncini van Notre Europe. Kijk naar Nederland. Wij hebben 26 Europarlementariërs en 150 Kamerleden. Oftewel, een Europarlementariër vertegenwoordigt 645.000 inwoners en een Kamerlid 112.000. De Europarlementariër staat dus verder weg van de kiezer. Hij/zij zit vooral in Brussel of Straatsburg, is minder zichtbaar en benaderbaar en bemoeit zich met uitgaven die een fractie van de Nederlandse nationale uitgaven beslaan.

Zo bezien wordt het al wat logischer dat een Nederlander eerder uit zijn stoel komt voor gemeenteraadsdan voor Europese verkiezingen. Geen wonder dat in landen waar Europese verkiezingen tegelijk met gemeenteraadsverkiezingen zijn, de opkomst altijd stijgt.

In Zwitserland, waar kantons en gemeenten veel meer macht hebben dan het verre Bern (ook in financieel opzicht), zie je bij nationale verkiezingen hetzelfde als bij onze Europese: een opkomst die al dertig jaar schommelt tussen 42 en 49 procent. Niemand kan beweren dat de Zwitsers Zwitserland-sceptisch zijn. Integendeel, het zijn enorme chauvinisten.

Wat de kiezer echt interesseert, kortom, is wat er in zijn dorp gebeurt. Voor de rest moet je met extra goede argumenten komen.