‘Met een roman ga je buitengaats’

De veelzijdige schrijver woont al 30 jaar in de VS en wordt vergeleken met Raymond Carver en Richard Ford. ‘Die drang om te varen heb ik sinds de zeeverkenners in Velsen.’

Geert van der Kolk: ‘Ik heb me laten inspireren door James Cain, wiens boeken zich laten lezen als een soort biecht’
Geert van der Kolk: ‘Ik heb me laten inspireren door James Cain, wiens boeken zich laten lezen als een soort biecht’ Foto Robin Utrecht

Het is een merkwaardige ervaring: een Nederlandse auteur die een dozijn boeken op zijn naam heeft staan, altijd heel positief is besproken, en die ook door deze interviewer altijd is bewonderd vanwege zijn veelzijdigheid en keuze van on-Nederlandse onderwerpen. Maar die interviewer heeft geen idee hoe diezelfde auteur eruitziet en hoe hij praat.

Geert van der Kolk (Velsen, 1954) woont al meer dan dertig jaar in de Verenigde Staten en is getrouwd met een Amerikaanse die bij de Wereldbank werkt. Hij staat totaal buiten het Nederlandse literaire circuit – geen voorleesavonden, boekpresentaties en wat dies meer zij. Maar vorige maand was hij even in Nederland voor de lancering van zijn nieuwe, zevende roman Telegram voor Mecánico, tegelijk met een bundeling van zijn beste verhalen onder de titel Op drift geraakt. Dus meteen maar gevraagd: hoe is het om te publiceren in een land waar je niet bent, en niet in het land waar je wél bent?

„Ik ben eraan gewend”, zegt Van der Kolk. „Je krijgt uiteraard minder feedback. Ik krijg de recensies opgestuurd, en ik correspondeer met enkele Nederlandse vrienden die ook schrijven endat is het wel. Ik zit daar dus een beetje op mijn eigen houtje te werken.

„Vaak wordt me gevraagd waarom ik niet in het Engels schrijf. Maar dat is nooit een optie voor me geweest, hoewel ik natuurlijk zo langzamerhand wel tweetalig ben. Ik heb wel wat verhalen zelf vertaald die op mijn website staan. Ook heb ik wel eens wat opgestuurd naar Amerikaanse tijdschriften, maar dat heeft niets opgeleverd.”

Uw afwezigheid maakt ook nieuwsgierig. In veel recensies wordt juist het exotische, het on-Nederlandse van uw werk benadrukt.

„Dat zou best zo kunnen zijn. Ik geloof niet dat schrijvers veel van elkaar leren, dus in dat opzicht is die afwezigheid geen nadeel. Schrijvers zijn meer in discussie met hun voorgangers, in mijn geval Hemingway, D.H. Lawrence, Tsjechov – schrijvers die ik echt bestudeer en herlees. Met hen ben ik veel meer ‘in gesprek’ dan met schrijvende vrienden als Thomas Verbogt of Gijs IJlander. Ik heb ook helemaal niet het gevoel dat ik met hen concurreer, terwijl we wel in dezelfde traditie werken.”

Het is opvallend dat u Hemingway als enige Amerikaan noemt en niet latere auteurs als Raymond Carver of Richard Ford, met wie u vaak in verband wordt gebracht.

„Ik ken ze en bewonder ze, maar ik zou zelf eerder William Faulkner noemen, zijn Yoknapatawpha-Countyverhalen waren een bron van inspiratie voor mijn bundel Klein Amerika, een verzameling schetsen die ik in de jaren tachtig in Het Parool publiceerde en waarvan in Nederland een deel gebundeld is. Faulkner en Sherwood Anderson waren schrijvers die het menselijk tekort beschreven in een kleine gemeenschap. Daarin kan het dwalen en falen van mensen scherper uitgelicht worden.”

Voordat u naar Amerika ging, woonde en werkte u in wat toen het Oostblok was. Hoe kwam u daar terecht?

„Ik ben als uitwisselingsstudent naar Moskou gegaan, nadat ik was afgestudeerd in de geschiedenis. Later deed ik promotieonderzoek in Oost-Berlijn. Maar mijn dissertatie is nooit afgekomen. Ik ben er gaan schrijven voor Het Parool en heb me daarna als freelance correspondent in Polen gevestigd, in de tijd dat de vakbeweging Solidarnosc opkwam.

„In Amerika ben ik terecht gekomen dankzij een Fulbright-beurs. Daardoor kon ik op Princeton ‘Soviet Studies’ doen, destijds net zo populair als ‘Islamic Studies’ nu. Financieel stelde die beurs niet veel voor, een vliegticket en duizend dollar, dus ik moest er veel bij werken. Na een tijdje kreeg ik een contract van Het Parool, als roving reporter. Ik mocht van alles doen zolang het maar niet over zaken ging die ze van de persbureaus konden krijgen. In die tijd reisde ik vaak naar Latijns-Amerika. Ik zat altijd in de goedkoopste hotels, omdat die veel interessanter waren dan de Holiday Inns. Blijkbaar gaf ik zo weinig uit dat Het Parool op gegeven moment vroeg: ‘Zorg je wel goed voor jezelf? Je hoeft niet altijd in de goedkoopste hotels te zitten, hoor.’”

Uit die tijd dateert een van uw meest intrigerende verhalen, ‘De ontzetting van San Sebastian’. Het speelt tegen de achtergrond van de burgeroorlog in El Salvador in de jaren tachtig. Het is bewust heel schimmig, er wordt weinig in prijsgegeven.

„Een groot deel van wat de hoofdpersoon, Dos Pupusas, overkomt is mij ook overkomen. Ik ben in El Salvador gevangen genomen door diverse militante groeperingen. Je had ook nog de extreemrechtse Roberto d’Aubuisson met zijn doodseskaders. Het was fascinerend om het mee te maken. Iedereen vocht tegen iedereen op verschillende fronten. In mijn verhaal begrijpt Dos Pupusas nauwelijks wie bij wie hoort. Zo heb ik de absurditeit van de situatie daar geprobeerd weer te geven.

„Weet je hoe die oorlog is afgelopen? Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie in 1991 kreeg de verzetsbeweging geen wapens meer. Toen zijn ze met elkaar gaan praten, de guerrilleros werden in het leger opgenomen en het was vrede.”

Uw nieuwe roman is een heuse krimi. Een man in de Dominicaanse Republiek krijgt een telegram dat zijn vader op sterven ligt. Maar die is al dertig jaar dood. Hij gaat op onderzoek uit.

„Ik kwam op dat idee in Washington, mijn woonplaats, waar dikwijls mensen uit El Salvador en Guatemala worden opgepakt die verzekeringen hebben afgesloten op mensen die al jaren dood zijn. Dat heb ik dus allemaal niet verzonnen – ik zou ook een verzekering op jou kunnen afsluiten zonder dat je het weet. De locatie kwam vanzelf bij me op toen ik in de Dominicaanse Republiek in de buurt van Salinas terechtkwam waar de mensen leven van zoutpannen of van schamele visserij. Aan het eind van het boek wist ik zelf nog steeds niet wie dat telegram eigenlijk verstuurd had, maar dat was niet van fundamentele betekenis voor het verhaal. Ook mijn twee andere Caraïbische romans hebben een misdaadaspect. Ik heb me laten inspireren door James Cain, wiens boeken The postman always rings twice en Double Indemnity zich laten lezen als een soort biecht.”

Net zoals de Haïtiaanse jongen in ‘De Waterverkoper’, vanuit zijn cel in Florida. U heeft daar gekozen voor de kleine optiek van een ongeletterde achttienjarige.

„Ja, ik had het natuurlijk ook veel breder kunnen aanpakken rond dezelfde problematiek, zoals Russell Banks deed in Continental Drift. Maar ik ben eigenlijk wel happy met mijn verteller. Ik weet niet hoe het in Nederland is, maar in Amerika wordt de Haïtiaanse cultuur enorm geromantiseerd, met zijn voodoo en primitieve schilderkunst. Tot de aidsepidemie uitbrak was er veel toerisme vanuit Amerika. De schilderkunst daar is ook door Amerikanen op poten gezet en een exportproduct geworden. Mijn bedoeling was die romantisering koste wat kost te vermijden, want het is een straatarm land vol bijgeloof en achterdocht, met een soort magie waar de verteller machteloos tegenover staat.”

U bent behalve schrijver ook hartstochtelijk zeezeiler. De romans ‘Noordtij’ en ‘De smokkelaar van de Exuma’s’ zijn daar de weerslag van, maar ook veel ander werk speelt zich af op plekken die per boot bereikbaar zijn. De drang naar zee heet een bundeling van die verhalen. Waar komt die drang vandaan?

„Die heb ik sinds ik bij de zeeverkenners was in Velsen. Maar ik heb al langere tijd een boot liggen in Chesapeake Bay en ik herinner me nog wat een enorme ervaring het was om de eerste keer buitengaats te gaan, langs de Oostkust van de VS naar Florida en de Bahama’s. We hadden onze beide kinderen voor die reis van school gehaald en ze aan boord les gegeven.

„Buitengaats is bijzonder, omdat je op jezelf bent aangewezen, het geeft je een gevoel van vrijheid, de dagelijkse beslommeringen laat je letterlijk achter je. De zee is niet alleen mooi zoals een schilderij mooi is, maar ook dreigend. Het valt onder wat Edward Burke noemt ‘het sublieme’, het is groter dan jijzelf, het geeft je een gevoel van intensiteit dat je bij een schilderij nooit zult krijgen.”

En nu heeft u een nieuw werelddeel uitgekozen: Oost-Afrika als inspiratie?

„Ja, ik ben daar vorig jaar langere tijd geweest met het idee er reisverhalen te schrijven. Maar ik ben er vanaf gestapt omdat je dan vrij dicht bij je eigen aantekeningen blijft. Reisverhalen ontleen je aan de werkelijkheid, Updike noemde dat genre evenals andere non-fictie hugging the shore, dichtbij de kust blijven. Dat kun je doen, met je boot, maar met een roman ga je buitengaats.”