Het leven wordt heel klein als een mens ziek is

Elke zieke schrijver is op zijn eigen wijze ziek. Bij Hafid Bouazza leidde levercirrose tot een hallucinatoire roman, een boek dat zich ver verwijderde van de werkelijkheid van alledag. Ongeveer tegelijkertijd met Bouazza’s Meriswin verscheen De tijd is op van Willem Melchior. Melchior – die eind vorige eeuw doorbrak met de zinnelijke romans De onhuwbaren en Het hoofd op de buik – werd twee jaar geleden onverklaarbaar hees, waarna een tumor op zijn stembanden werd gevonden. Behandelbaar, maar wel met vijfendertig bestralingen.

De tijd is op is feitelijk het dagboek dat Melchior bijhield van halverwege de zomer van 2012 tot in de herfst: de periode waarin het ‘kankerbesef’ langzaam doordrong tot de schrijver. Aanvankelijk gaat het daarbij vooral om een andere wetenschap, namelijk dat Melchior om te overleven zal moeten stoppen met roken. Hij rookt vijftig Camels per dag – zonder filter.

Het duurt lang voordat de zin van De tijd is op je een beetje begint te dagen. Melchior is geen denker. Zijn observaties reiken niet veel verder dan de zorgen om zijn levensstijl: hij leidt een nachtleven, dat zich maar moeizaam laat combineren met een patiëntenbestaan. Kan hij schrijven zonder te roken? Kan hij overdag schrijven? Veel gebeurtenissen zijn van een grote alledaagsheid: boodschapjes en burengerucht – gestoffeerd met medisch onderzoek en daarnaast veel gekibbel en enig gestoei tussen de 46-jarige Melchior en zijn jongere vriend Bavo. Ruzie om de kussens: ‘Bavo nu had het teddykussen aan zijn kant op de grond gegooid, of laten belanden, en het hoofdkussen als zijn hoofdkussen in gebruik genomen, mij het andere teddykussen als hoofdkussen latend.’ Opwindend is De tijd is op lang niet altijd.

Uit het dagboek blijkt vooral hoe klein het leven wordt als je ziek bent. Hij kijkt als altijd goed naar zijn lichaam. Zo constateert hij dat als hij zijn overhemd niet dichtknoopt, de markeringsstrepen van de bestraling zichtbaar zijn, terwijl het tot de navel open geknoopte shirt toch zijn ‘handelsmerk’ was.

Meer dan door de mogelijkheid van een vroege dood, wordt de schrijver geplaagd door het besef dat hij toch echt niet jong meer is. Alles lijkt tegelijk te komen: ‘de grijze haren, de rimpels, de buik, alsook de oudemannenbril, ongeveer alsof ik door de kanker versneld de penopauze in geduwd word.’ Zijn jongemannenleven wordt Melchior (die zijn moeder consequent aanduidt met ‘mama’) afgepakt, en dat is hier belangrijker dan de doodsdreiging. Daar zit de spanning van De tijd is op – en de betekenis van de titel: niet in het mogelijke einde van het leven, maar in het zekere einde van de jeugd.