Opinie

Een prijsje voor de vrouwtjes

Dat Ilja Leonard Pfeijffer voor zijn roman La Superba de Libris Literatuurprijs heeft gekregen is hem van harte gegund, al was het alleen maar omdat ik een zwak heb voor langharige volumineuze auteurs die zich ter bevordering van de verkoop totaal ontspannen piemelnaakt laten fotograferen, gewoon gezellig op de groezelige bank thuis. Met zo’n laureaat hebben we geen ‘werkelijkheidsgetrouwe’ puberporno meer nodig. Pfeijffer kan meteen door als Piemel des Vaderlands.

Marente de Moor, met Roundhay, tuinscène de enige genomineerde vrouw, heeft de AKO-prijs bovendien al eens gekregen voor De Nederlandse maagd. Dus niet zeuren. Vrouwelijke auteurs kunnen daarnaast tot in het Letterkundig Museum overal terecht met hun billenselfies, al moet je daarvoor vermoedelijk dan weer wel in het bezit zijn van zo’n begaafd achterste als dat van Heleen van Royen.

Maar goed. Gisteren hield de schrijfster Jolien Janzing op de opiniepagina van NRC weer een ernstig pleidooi voor een „belangrijke literaire prijs” voor vrouwen. Janzing betreurde het dat vrouwen niet worden „aangespoord om aan de Grote Nederlandse of Vlaamse Roman te beginnen”, alsof een echte schrijver m/v daarvoor aansporing behoeft. Ze gaf een lijstje vol typisch vrouwelijk verlangen naar begrip („voor schrijfsters die niet voor zichzelf op durven komen”), ofwel hunkeren („naar de erkenning van ‘wie er toe doet’ ”). Vrouwelijke juryleden stemmen volgens Jolien Janzing voor mannelijke schrijvers om „erkenning te krijgen”. En daarom wordt het dus tijd om „stouter” te worden.

Stouter? Daarbij denk ik niet aan belangrijke literaire prijzen, maar aan die passief-agressieve Linda-lezeressen in dat damesondergoed van Marlies Dekkers.

Helaas is het desondanks een feit dat vrouwelijke schrijvers er traditioneel bekaaid vanaf komen in Nederland. Vrouwen krijgen grofweg een kwart van de recensies in de serieuze kranten, een kwart van de nominaties voor en een kwart van de literaire prijzen. Boekenweekgeschenken worden al jaren geschreven door mannen. Pauline Slot somde het vorig jaar al overtuigend op in Trouw.

Voor de vrouwtjes hebben we de Opzij-literatuurprijs, maar die is dan weer zo nadrukkelijk van Opzij. En de Anna Bijns-prijs, die dan weer maar eens in de twee jaar mag worden uitgereikt, en dan nog afwisselend aan proza en poëzie. Tienduizend euro. Eenvijfde van de Libris-en de Ako-prijs.

Pauline Slot suggereerde wat ironisch om aan de voornaamste literaire prijzen, analoog aan de Oscars, dus gewoon maar een prijs voor de beste ‘autrice’ toe te voegen.

Klinkt leuk, maar wie zichzelf serieus neemt, weet natuurlijk beter. Bovendien zijn we het prijzengezeik, als ik het zo mag noemen, intussen denk ik allemaal wel beu. Mijn oplossing is daarom, met dank aan Pauline Slot, even gelijkwaardig als afdoende. Net als bij de Oscars reiken we voortaan seksegebonden literaire prijzen uit, ja. Maar dan dus in de categorieën ‘beste boek met een mannelijke hoofdpersoon’ en ‘beste boek met een vrouwelijke hoofdpersoon’.

Het lijkt me sterk dat die dan nog allemaal naar mannen gaan. En het komt de wederzijdse waardering en literaire vernieuwing alleen maar ten goede. Een beetje schrijver leeft zich immers ook eens uit in het perspectief van de ándere sekse. Zie Flaubert: Madame Bovary. Zie Hella Haasse: Oeroeg.