Studie naar ijdelheid

In de lichte, ontvlambare roman ‘Monte Carlo’ van Peter Terrin gaan alle puzzelstukjes verloren // Europa: groot in aspiraties, kleinzielig in de uitvoering // En waarom is er telkens zo veel drama bij de PvdA?

De buitenwereld is in de boeken van Peter Terrin koud, hard, onverschillig en onbegrijpelijk. Daarom is de setting van Monte Carlo, het eerste boek van Terrin bij zijn nieuwe uitgeverij De Bezige Bij, opmerkelijk. We beginnen niet somber binnen in een appartement, fabriekshal of ziekenhuiskamer, maar in de open lucht op een van de lichtste plaatsen van Europa: in Monte Carlo, waar de Grand Prix Formule 1 van 1968 op het punt van beginnen staat. Op de tribune zit de prins van Monaco, ook aanwezig is de beeldschone filmster Deedee, een jonge vrouw die losjes gebaseerd is op Brigitte Bardot en die ook wel iets weg heeft van Prinses Diana. Zij is, kortom, een sensatie.

Wanneer deze Deedee voor de start tussen de wagens door loopt dreigt er een ramp: een wolk benzinedamp vat vlam. Monteur Jack Preston werpt zich op Deedee en beschermt haar met zijn lichaam tot een lijfwacht hen uit de vuurzee sleept. Zij blijft ongedeerd; zijn hele rug raakt bij zijn heldendaad ernstig verbrand.

De held wil gezien worden

Jack Preston is een ongebruikelijke held voor Terrin-begrippen. Diens andere hoofdfiguren verlangden er vooral naar om zich te verstoppen, Preston wil gezien worden in de wereld. Na ‘Monte Carlo’ rekent hij op de dankbaarheid van de onweerstaanbare Deedee, maar tot zijn verbazing gebeurt er niets. Kranten die over het incident schrijven wijzen niet hem, maar de lijfwacht als de redder aan. Thuis in zijn dorp Aldstead wordt hij wél als een held onthaald – en blijkt zijn voorheen nogal terughoudende echtgenote Maureen een woest verlangen naar zijn lichaam te hebben ontwikkeld.

Zelf is Jack Preston met zijn gedachten bij Deedee. Ze zal hem toch wel bedanken? Zij weet toch wel wie haar heeft gered? Wanneer de actrice zich op een zomeravond laat interviewen door de Engelse tv worden in het café van Aldstead de stoelen in een rij gezet voor een gezamenlijk kijkfeest ter ere van Jack. Uiteindelijk zegt Deedee ‘I love you ’ in de camera en werpt ze de kijkers een kushandje toe, wat de dorpelingen en Jack zelf dan maar interpreteren als een persoonlijke boodschap, waarvan de details door tijdgebrek buiten de uitzending vielen.

Hier is Monte Carlo helemaal een Terrin-roman geworden. Het felle zonlicht uit het begin is door grijze wolken verjaagd, de held is weer gewoon een man die niet begrijpt dat de wereld niets om hem geeft.

Monte Carlo is de lichtste roman die Terrin tot nu toe schreef en waarschijnlijk de toegankelijkste. Neem de elegantie waarmee hij een ogenschijnlijk willekeurige weduwnaar aanduidt: ‘Haar man, zijn naam is onbelangrijk, deed in zaken en kende meer geluk dan talent, een onderscheid dat in zijn wereld door niemand gemaakt werd. Maar al blijft de man hier naamloos, zijn liefde voor Amélie Bonnard was oprecht, en zijn tranen waren van verdriet, niet van medelijden met zichzelf.’

De keerzijde van die openheid is dat pas als Preston terugkeert naar zijn dorp, het boek de dwingende kracht krijgt die Terrins beste werk vanaf de eerste bladzijde kenmerkt. In het tweede deel laat de schrijver vlijmscherp zien hoe de vriendelijkheid van de dorpsgenoten overgaat van heldenverering in medelijden. Na de tv-uitzending met het kushandje komt iedereen Jack Preston de hand schudden en feliciteren: ‘Misschien was het enthousiasme na de uitzending alleen maar opluchting, dat er bij Kingsley ten minste iets was gezegd wat mogelijk naar het feestvarken verwees, en op de valreep deze avond legitimeerde.’

Wie beroemd is groeit

Angst was tot nu toe het hoofdthema van Terrins boeken, maar in Monte Carlo is daar iets bijgekomen. Veel meer dan een studie naar het wezen van de angst, is het een onderzoek naar roem, ijdelheid en dus naar de macht van het collectief. Want wie beroemd is, groeit. Dat merkt Jack in zijn dorp, dat merkt Deedee in de beau monde. Terwijl hun ijdelheid wordt gestreeld, ondervinden ze beiden de koude betrekkelijkheid van de roem. De massa is een monster dat je zomaar tot grote hoogte kan opstuwen – maar er is geen enkele hoop op bestendigheid. En het is de vraag wat er uiteindelijk van de waarheid overblijft. Want het bij-effect van de in de loop van het boek tanende roem van Preston is dat je al lezende steeds meer aan zijn verhaal gaat twijfelen. Heeft hij zich de redding van Deedee misschien toch gewoon verbeeld? Reddingsfantasieën zijn zo oud als de wereld.

Als je Monte Carlo met die vraag in het achterhoofd herleest, zie je dat het antwoord er ondubbelzinnig in staat. Maar dan zie je óók hoe alle puzzelstukjes in de loop van het verhaal verloren gaan. Aan het eind van de roman weet je zeker dat de waarheid nooit onthuld zal worden. Er rest alleen nog een verhaal, dat ergens ronddrijft, vluchtig als een benzinewolk, klaar om te ontvlammen.