Schildpadden

Deze keer neem ik u mee naar het Arboretum Trompenburg in Rotterdam. Vooral in het voorjaar kom ik graag in deze prachtige bomentuin. Niet voor de weelde aan bomen, struiken en andere plantengroei (binnen het thema van deze rubriek dien ik daarover te zwijgen) maar voor een aantal rood- en geelwangschildpadden (Trachemys scripta) dat daar leeft. In een van de vijvers drijft een verankerd vlondertje waarop, zelfs bij een waterig zonnetje, maximaal tien van deze reptielen zich opwarmen. Wandelaars die geen onverwachte bewegingen maken, kunnen ze tot op een paar meter benaderen. Er zit er een tussen waarvan ik de schildlengte wel eens zou willen nameten. Die moet de dertig centimeter (veel groter worden ze zelden) ruim overschrijden.

Deze moerasschildpadden zijn hier niet inheems. Tussen 1989 en 1997, voordat de Europese Unie de handel verbood, exporteerden de Verenigde Staten ruim 52 miljoen jonkies van het formaat rijksdaalder. Het waren populaire huisdiertjes die, zo gauw ze te groot werden voor het standaard plastic-bakje-met-palmeneilandje, massaal in sloot en plas werden gedumpt. Dat ze nu overal in Nederland voorkomen, danken we aan de hoge leeftijd die ze kunnen bereiken. Succesvol voortplanten kunnen ze zich hier niet. Daarvoor is het ’s zomers (nog) te koud.