Met Ties ‘Cruize’ komt in 1973 het hockey tot bloei

De hockeybond (KNHB) viert het 115-jarig bestaan en het komende WK in eigen land met een lijvig boek over de nationale teams én de hockeycultuur in Nederland.

Aan het begin van het toernooi werd hij in een landelijk ochtendblad nog abusievelijk Ties ‘Cruize’ genoemd. Een week later, toen de nationale hockeyploeg op 2 september 1973 in het Wagener Stadion in Amstelveen wereldkampioen werd, wist heel Nederland wie ze waren: de finale tegen India, na vijf verlengingen en strafballen gewonnen, werd als eerste hockeyduel rechtstreeks op de Nederlandse televisie uitgezonden.

Het gras was nog van gras, en de beelden zwart-wit. Maar het was die zondag stil op straat in Nederland. Hockey kwam voor het eerst de huiskamers binnen. „Huisvrouwen, die nog nooit een partijtje hockey hadden gezien, lieten het avondeten verpieteren”, scheef het officiële bondsorgaan Hockey Sport naderhand. „De patatkramen en patatwinkels zullen daarna goede zaken hebben gedaan.”

Alles hadden de spelers van bondscoach Ab van Grimbergen ervoor gedaan in de voorbereiding. Legendarische hockeynamen als Kruize, André Bolhuis, Paul Litjens, aanvoerder Nico Spits, doelman Maarten Sikking. In de voorbereiding waren ze elke zaterdag het hoge duin van Kraantje Lek opgerend, bij Overveen. Ze hadden zelfs gezamenlijk afgesproken te stoppen met roken – in elk geval tot het einde van het WK in Amstelveen.

De reconstructie van het eerste wereldgoud voor de hockeymannen is één van de vele verhalen in het lijvige boek 115 jaar Nederland Hockeyland, dat vanmiddag werd gepresenteerd. Het tijdstip is niet toevallig: over tweeënhalve week begint in Den Haag het WK voor mannen en vrouwen. Het toernooi in het stadion van voetbalclub ADO is na 1973 en 1998 (Utrecht) het derde WK dat de nu 115-jarige Koninklijke Nederlandse hockeybond (KNHB) organiseert.

En dat voor een bond die in zijn beginjaren geen enkel heil zag in aansluiting bij de rest van de wereld, waar andere spelregels golden. In Nederland speelden de hockeyers honderd jaar geleden – als enige land ter wereld – met een zachte oranje bal, zonder strafcirkel, en met platte sticks waarvan beide kanten mochten worden gebruikt. Niet voor niets ontbrak Nederland tijdens de Olympische Spelen van Antwerpen (1920).

In 2014 is Nederland uitgegroeid tot het bruisende centrum van de sport die, ondanks een verspreiding over alle continenten, internationaal onder druk staat. Waar de gidslanden van weleer, India en Pakistan, moeite hebben om het hockey in leven te houden, lopen de kunstgrasvelden langs de Noordzee elk weekeinde weer vol, getuige bijna een kwart miljoen beoefenaars.

De geschiedenis had ook anders kunnen lopen, in elk geval aan de wereldtop. „Ik had het nog moeten zien of wij de Pakistani en de Indiërs voorbijgestreefd waren als er geen kunstgras was uitgevonden”, zegt Bolhuis, één van de wereldkampioenen van 1973, nu voorzitter van sportkoepel NOC*NSF.

De vele kanten van de diep verankerde hockeycultuur worden in het vuistdikke boekwerk beschreven met verhalen en prachtige foto’s over tal van thema’s uit de nationale hockeygeschiedenis: van de macht van de strafcornerkanonnen van Oranje tot de opkomst van de ‘hockeybabe’, en van de verre uitwedstrijden van HC Walcheren tot de spelersopstanden tegen de bondscoaches Maurits Hendriks en Joost Bellaart.