Dit verhaal verzin je niet: het is té onwaarschijnlijk

Ook meisjes hebben te maken gehad met geweld en seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk. Daniëlle Hermans interviewde (samen met Esther Verhoef) slachtoffers voor een bundel die vandaag verschijnt.

Maart 2013. In een uitzending van Pauw & Witteman vertelt een vrouw hoe zij als jong meisje mishandeld werd door nonnen. Het tweede rapport van de commissie-Deetman, over seksueel misbruik en geweld tegen meisjes in de Rooms-Katholieke Kerk, is net uit. Daniëlle Hermans – bekend als thrillerauteur (Het Tulpenvirus) – zit voor de tv en gooit er direct een tweet uit.

‘#Herkenbaar?’

En dan: ‘Ik ken de verhalen van mijn moeder. Afschuwelijk’.

Hermans’ moeder heeft in Brabant bij de nonnen op school gezeten. Slechts sporadisch liet ze iets los – flarden van verhalen. Ze wil er niet teveel over kwijt. „Sadistische krengen waren het, die nonnen.”

Esther Verhoef – ook auteur, bekend van thrillers als Close-up en De kraamhulp – reageert direct. Ook zij kent verhalen van haar moeder. Nog diezelfde avond besluiten Verhoef en Hermans dat ze deze vrouwen een stem moeten geven.

Vandaag verschijnt Stil in mij – Overleven bij de nonnen. Een bundel interviews met vrouwen die tussen de jaren dertig en negentig bij de nonnen hebben gewoond en seksueel of psychisch zijn mishandeld.

Een fragment uit het boek:

‘Toen ik een jaar of negen was, heb ik drie dagen en nachten in een hok opgesloten gezeten. Dat was een werkhok in de kelder. Ze waren mij gewoon vergeten. Ik had geen eten en geen drinken, er waren muizen…. En ik heb daar… op een gegeven moment ga je hallucineren en je denkt dat je doodgaat. Ik kwam in een soort tunnel terecht.’

„Dat is toch gek”, zegt Hermans, „dat we de verhalen over jongens en misbruik allemaal kennen, en die van meisjes niet?”

Hoe komt dat?

„Omdat vrouwen minder makkelijk praten. En omdat ze niet willen dat anderen zich zorgen maken. Veel vrouwen die ik gesproken heb, zeiden: ik wil mijn kinderen er niet mee belasten, want ze hebben het al zo druk… En sommigen schaamden zich, dat ze zich niet tegen de mishandeling hebben verzet.”

Hermans en Verhoef kregen hulp van het VPKK, het vrouwenplatform kerkelijk kindermisbruik. Vrouwen die zich daar eerder hadden aangemeld – omdat ze hoopten op erkenning – kregen een uitnodiging voor een interview. Daniëlle Hermans voerde vervolgens de gesprekken. Esther Verhoef maakte van de transcripten leesbare stukken. Eenentwintig full quote interviews, monologen, zonder tussenkomst of uitleg van de auteurs. Alleen in de inleiding komen de schrijfsters aan het woord.

Het zijn verhalen met steeds dezelfde strekking: kille tehuizen, waar meisjes hard moesten werken en praten vaak verboden was. Waar je verplicht op je rechterzij moest slapen. Waar meisjes betast en geknepen werden, en gedwongen werden seksuele handelingen te verrichten. Waar meisjes vernederd werden, met hun onderbroek op hun hoofd het internaat rond moesten. Waar meisjes gedwongen werden hun eigen braaksel op te eten.

Wat leren die interviews ons?

Daniëlle Hermans: „Heel veel verschillende dingen. Het leert ons hoeveel impact misbruik en mishandeling op iemands leven kunnen hebben. Hoe de overheid, de kinderbescherming, artsen, verpleging en alle voogden tekort zijn geschoten. Zij waren vaak op de hoogte, maar hebben nooit iets gemeld.

„Het vertelt ons hoe moeilijk het is om je kind in vertrouwen aan iemand te geven, want je weet nooit waar het terechtkomt. En dat je moet luisteren naar wat een kind zegt. Het vertelt ons hoe kort geleden het allemaal gebeurd is. Dit zijn namelijk niet allemaal oudere dames – de jongste is 47 jaar. En het vertelt ons over de macht en de arrogantie van de kerk. Heel veel kloosters willen niet met de vrouwen praten, terwijl deze vrouwen juist zo graag erkenning willen.”

Er staan verhalen in over nonnen die vagina’s schoonmaakten met schuurmiddel. Over vrouwen die uit gieters dronken, omdat ze vergingen van de dorst. Dat is zo onvoorstelbaar.

„Ja.”

Hebben jullie nooit getwijfeld aan het waarheidsgehalte? Jullie hebben de verhalen niet gecheckt bij de instanties zelf.

„Als we zo waren gaan denken, hadden we deze verhalen nooit kunnen opschrijven. We zijn geen rechercheurs, het gaat ons niet om het vinden van bewijsvoering. Of om het pakken van de daders. Het gaat erom dat deze vrouwen hun verhaal kwijt kunnen.”

Medewerkers van justitie spraken hun zorgen uit. Die zeiden: hoe weet je of de verhalen waar zijn?

„De bewijslast is bijna niet te krijgen. Wij hebben vrouwen geïnterviewd die in dezelfde kloosters zaten, maar elkaar niet kennen. Als je dan steeds opnieuw hoort dat vrouwen hun braaksel op moesten eten, dan neemt dat voor ons elk twijfel weg.”

Waarom hebben jullie geen nonnen geïnterviewd?

„Bij de rapporten van de commissie-Deetman zit al een prima historisch stuk waarin uitgelegd wordt waarom de nonnen deden wat ze deden. Wij wilden de slachtoffers nu eindelijk eens een stem geven. Niet weer die nonnen verexcuseren. Deze vrouwen hebben nog nooit een excuus gehad!

„Wij willen dat de lezer geraakt wordt. Je moet je kunnen inleven. Want zo ver ging het echt.”

Jullie zijn van oorsprong thrillerauteurs. Zijn er raakvlakken?

„Nee, dit is heel anders dan fictie. Wel moet je er ook hier rekening mee houden dat een boek leesbaar blijft. We moesten keuzes maken. In eenentwintig verhalen zit onvermijdelijk overlap, daarom hebben we bij sommige verhalen het aandachtspunt verlegd. ”

In jullie thrillers gaat het vaak om dezelfde thematiek. Gruwelijkheden. Mensen die iets wordt aangedaan.

„Het is ons vak om ons te verdiepen in de zwarte kant van de mens. Maar bij deze interviews dacht ik steeds: dit verzin je niet. Als ik hiermee naar mijn redacteur zou stappen, dan zou die zeggen: zo onwaarschijnlijk, verzin maar iets anders.

„Ik geniet ervan om met de zwarte kant van de mens te spelen. Maar dan ben ik de baas. Ik bepaal wanneer iemand dood gaat. Wie het heeft gedaan. Ik bepaal hoe slecht ze zijn. Dat vind ik lekker. Het verschil is dat ik het verhaal hier niet bepaalde.”

Dat maakt het aangrijpender.

„Ja. Kijk, ik kan wel eens misselijk worden van mijn eigen scenes. Als ik een moord moet beschrijven, dan denk ik wel eens: heb ík dat bedacht?”

Het boek is af. Wat moet er nu gebeuren?

„Toen het tweede rapport van de commissie-Deetman uitkwam, sloeg de discussie dood. Wij hopen nu dat het blijft sudderen. Dat veel meer vrouwen hun verhaal durven doen. Dat heel Nederland weet wat er gebeurd is. Dat ze erkenning krijgen. En dat de kinderen van deze vrouwen beter begrijpen waarom hun moeder of oma is zoals ze is.”