Boeken

Lezen met ALS: de weg naar genezing? Meer yang

Vandaag: Het sleutelkruid van Paul Biegel

Illustratie Hajo.

Pieter Steinz, oud-Chef Boeken van NRC Handelsblad, heeft de progressieve spierziekte ALS. In een rubriek verbindt hij zijn ziekteverloop met de boeken die hij herleest. Vandaag: Het sleutelkruid van Paul Biegel.

In mijn favoriete kinderboek, Het sleutelkruid van Paul Biegel, verkeert de duizendjarige koning Mansolein op het randje van de dood. Zijn hart klopt nauwelijks meer en kan alleen nog ‘opgewonden’ worden door het sleutelkruid, dat ver weg over de bergen in een uithoek van zijn rijk groeit. Een wonderdokter besluit de gevaarlijke reis te maken, maar realiseert zich dat de koning een medicijn nodig heeft om in leven te blijven tot hij weer terug is. Daarom stuurt hij alle dieren die hij onderweg tegenkomt naar de koperen burcht om de koning een verhaal te vertellen; de emoties die daarbij loskomen zullen zijn hart aan het kloppen houden. Het resultaat is een estafette die werkt als een literaire pacemaker.

Het vijftig jaar oude verhaal van koning Mansolein valt te lezen als een mooie illustratie van de zegeningen van bibliotherapie, zoals die gepredikt wordt door de School of Life van de even populaire als praktische filosoof Alain de Botton. Maar ik zie een andere parallel, namelijk met de niet aflatende stroom medische adviezen en suggesties voor alternatieve genezing die op gang kwam toen ik driekwart jaar geleden bekend maakte dat ik aan ALS leed. Zoals bekend is de ziekte progressief en fataal; de reguliere geneeskunde kan er niets tegen doen, omdat ze niet eens weet waar ALS vandaan komt. En juist dat is voor de meeste mensen een onverteerbaar idee. Er móet een geneesmiddel, een sleutelkruid zijn, en totdat dat gevonden is, zijn er tal van manieren om het verval tegen te houden en het lichaam in vorm. Ik zou een dief van mijn eigen gezondheid zijn, zo werd mij voorgehouden, als ik er mijn toevlucht niet toe nam.

Vooral uit China kwamen hoopgevende berichten. Het eerste dat me werd aangeraden was scalp-acupunctuur, een combinatie van schedelacupunctuur en elektroacupunctuur die in Nederland alleen gepraktiseerd werd door een ‘oude Chinees in Den Haag’. Maar voordat ik daar achteraan kon gaan, raakte ik verzeild in een e-mailwisseling met twee aardige Chinese uitgeefsters die ik had leren kennen via mijn werk voor het Letterenfonds. De ene betoogde dat verlammingsverschijnselen het gevolg waren van een gebrek aan yang en dat de harmonie in mijn lichaam hersteld kon worden door het nemen van voetbaden (‘50-70 graden’) voor het slapengaan. De andere opende zelfs een tweebaansweg naar genezing. Een dokter in Guangzhou kon met behulp van foto’s van mijn handen (palm én rug) een juiste diagnose stellen, terwijl een arts in Taiwan door middel van mediaanmassages de gevolgen van mijn ziekte weg zou nemen.

Ik heb uit beleefdheid nog foto’s van mijn handen opgestuurd, maar ze waren niet duidelijk genoeg om conclusies uit te trekken. En met de Taiwanese wonderdokter wilde ik liever niet in zee. Zijn ‘qi chang’-behandeling mocht dan beproefd zijn, voor een westerse rationalist was er te veel op aan te merken. Zo moest je ervoor naar Taiwan, waar je in een paar maanden zou worden klaargestoomd om te werken met de door de arts ontwikkelde ‘photon moxibustion’, een apparaat dat een klein fortuin kostte. Onderwijl zou ook mijn geest moeten worden aangepakt, want zolang ik in de veronderstelling verkeerde dat mijn situatie hopeloos was, zou geen enkele remedie doeltreffend zijn. Al met al werd me duidelijk dat de traditionele Chinese artsenij ervan uitgaat dat fysiek altijd psychisch is en dat er niet zoiets bestaat als een ongeneeslijke ziekte.

Veel fiducie in de westerse geneeskunst was er niet in China. Maar ook in Nederland heerst wantrouwen, om niet te zeggen verzet tegen het vermeende fatalisme van de ALS-specialisten. Zoals koning Mansolein elke dag een nieuw verhaal te horen krijgt dat zijn gezondheid moet bevorderen, zo kreeg ik wekelijks via brieven en e-mail bijzondere remedies aangereikt. Natuurgeneesmiddelen uit Peru konden micro-organismen doden en de balans in mijn immuunsysteem herstellen. Een wondermiddel op basis van alkaline zou door zijn ontstekingsremmende werking wel eens heel goed tegen ALS kunnen werken. Hoge doses vitamine D zouden het afsterven van de motorische zenuwcellen kunnen vertragen.

Biofotonentherapie zou storingen in mijn lichaam opheffen. Bloedelektrificatie en elektromagnetische pulsering konden korte metten maken met de virussen die wellicht de oorzaak waren van ALS. Bidden kon me volledig genezen, zelfs als ik niet in God geloofde. Soep van groene bonen, selderij en courgette was een probaat middel tegen bijnierschorsuitputting (waarmee ALS door onervaren doctoren verward schijnt te worden). En ik zou ook wel eens veel baat kunnen hebben bij geaard slapen.

Misschien doe ik mezelf tekort, berust ik te veel in het sombere perspectief van de reguliere geneeskunde. Maar eerlijk gezegd vertik ik het om me schuldig te voelen over het feit dat ik niet alles probeer om ‘beter’ te worden. Er zijn nu eenmaal ziektes waar niets tegen te doen is. En trouwens, het is niet zo dat ik lijdzaam op mijn einde wacht. Ik lig tien uur per dag aan de beademing, slik vijf maal de gewone dosis vitamine D, bezoek tientallen dokters in drie verschillende ziekenhuizen en eet me ongans aan gezonde soepen. Mijn motto is dat van de trouwe haas die in Het sleutelkruid het welzijn van de zieke Mansolein bewaakt: ‘Zijn hart moet opgedraaid worden met sleutelkruid, en zolang dat er niet is, moet het maar met geroosterd brood.’

Blogger

Pieter Steinz

Pieter Steinz (6 oktober 1963 - 29 augustus 2016) werkte van 1989 tot 2012 bij NRC Handelsblad, onder meer als literair redacteur en chef Boeken. Hij schreef ruim vijftien boeken, waaronder Lezen etcetera (2003) en Made in Europe (2014).