Voorpublicatie: Glenn Greenwalds boek over de NSA-affaire

Dinsdag verschijnt wereldwijd het boek van journalist Glenn Greenwald over de NSA-affaire. Lees hieronder alvast een ruime passage uit De afluisterstaat, waarin Greenwald schrijft over het grootste inlichtingenlek uit de recente geschiedenis en over de samenwerking met Edward Snowden.

Noot van de redactie: Greenwald ontving maandenlang anonieme mails vol documenten over overheidsspionage.  In mei 2013 vertrok hij naar Hong Kong om zijn anonieme bron te ontmoeten: Edward Snowden. De afluisterstaat vangt aan met die ontmoeting.

Die donderdag, de vijfde dag in Hong Kong, ging ik weer naar de kamer van Snowden, die meteen aangaf dat hij ‘ietwat verontrustend nieuws’ had. Het huis op Hawaï waar hij met zijn vriendin woonde had een beveiligingssysteem dat met het internet was verbonden. Via dat systeem had Snowden gezien dat twee nsa-mensen – een personeelsfunctionaris en een ‘politieagent’ van de dienst – bij hem langs waren geweest.

Volgens Snowden duidde dit er vrijwel zeker op dat de nsa hem als het vermoedelijke lek zag, maar ik betwijfelde dat. ‘Als ze denken dat jij dit hebt gedaan sturen ze hordes fbi-agenten met een huiszoekingsbevel op je af, plus waarschijnlijk ook nog een arrestatieteam, niet maar een nsa-agent en een of andere p&o-figuur.’ Het leek me gewoon zo’n routineonderzoekje dat bijna vanzelf plaatsvindt als een nsa-medewerker een paar weken zonder verklaring wegblijft. Maar Snowden opperde dat ze het misschien opzettelijk zo klein hielden om te voorkomen dat de media er lucht van kregen, of dat mensen zouden proberen bewijsmateriaal te laten verdwijnen.

Wat het ook te betekenen had, er bleek wel uit dat we snel moesten beginnen aan ons artikel en de video waarin Snowden werd aangeduid als de bron van de onthullingen. We wilden per se dat de wereld eerst van Snowden zelf zou horen wie hij was, wat hij had gedaan en waarom, niet via een lastercampagne van de Amerikaanse overheid, terwijl hij zich schuilhield, gevangenzat of om andere redenen zijn verhaal niet kon doen.

We waren van plan nog twee artikelen te publiceren, een de volgende dag, vrijdag, het tweede de dag erna. Op zondag zouden we vervolgens een lang stuk over Snowden uitbrengen met daarbij een gefilmd interview en op schrift een aantal vragen van Ewen MacAskill plus Snowdens antwoorden.

Laura was de voorafgaande 48 uur bezig geweest haar filmmateriaal van mijn eerste interview met Snowden te monteren, maar uiteindelijk vond ze het te gedetailleerd, te langdradig en te gefragmenteerd. Ze wilde ter plekke een nieuw interview opnemen dat beknopter en meer to the point was en noteerde een stuk of twintig vragen die ik hem moest stellen. Ik voegde er zelf nog een paar aan toe terwijl Laura haar camera opstelde en ons instrueerde waar we moesten zitten.

‘Eh, mijn naam is Ed Snowden,’ begint de inmiddels fameuze film. ‘Ik ben 29. Ik werk namens Booz Allen Hamilton als infrastructuuranalist voor de NSA op Hawaï.’

Vervolgens beantwoordde Snowden helder, stoïcijns en zakelijk elke vraag: waarom had hij besloten de documenten naar buiten te brengen? Waarom vond hij het zo belangrijk dat hij er zijn vrijheid voor wilde opofferen? Wat waren de meest significante onthullingen? Was de inhoud van sommige documenten crimineel dan wel illegaal? Wat zou er nu met hem gebeuren, dacht hij?

Toen hij met voorbeelden van illegale en grootschalige surveillance kwam, werd hij geanimeerd, vertoonde hij passie. Maar pas toen ik hem vroeg welke represailles hij verwachtte gaf hij blijk van nervositeit; hij was bang dat de overheid hem via zijn familie en vriendin wilde straffen voor zijn daad. Om dat risico te verkleinen zou hij het contact met hen tot een minimum beperken, zei hij, maar hij wist dat hij hen niet volledig kon beschermen.

‘Dat is het enige waar ik ’s nachts van wakker lig – de vraag wat er met hen zal gebeuren,’ zei hij met vochtig wordende ogen; de eerste en meteen ook laatste keer dat ik daar getuige van was.

Terwijl Laura het videomateriaal monteerde, legden Ewen en ik de laatste hand aan onze volgende twee artikelen. Het derde artikel beschreef een uiterst geheim presidentieel decreet dat Obama in november 2012 had ondertekend. Hiermee gebood hij het Pentagon en daaraan verbonden diensten om een aantal agressieve cyberaanvallen op mondiale schaal voor te bereiden. ‘Hooggeplaatste medewerkers op het vlak van nationale veiligheid en inlichtingen,’ gaf de eerste alinea te lezen, hebben het verzoek gekregen ‘een lijst op te stellen met mogelijke overzeese doelen voor Amerikaanse cyberaanvallen, blijkt uit een zeer geheim presidentieel decreet dat The Guardian in handen heeft gekregen.’

Het vierde artikel, dat zoals gepland op zaterdag verscheen, ging over boundless informant, het nsa-programma voor data-tracking. We schreven over de rapporten waaruit bleek dat de nsa miljarden telefoongesprekken en e-mails verzamelde, analyseerde en opsloeg die in de Amerikaanse infrastructuur voor telecommunicatie passeerden. Ook wierpen we de vraag op of nsa-medewerkers tegen het Congres hadden gelogen toen ze senators een antwoord schuldig bleven op hun vragen naar het aantal onderschepte binnenlandse gesprekken en mails; ze beweerden dat ze zulke gegevens niet bewaarden en daar dus ook geen analyses mee konden uitvoeren.

Laura en ik zouden elkaar weer in Snowdens hotel treffen nadat het artikel over boundless informant was verschenen. Maar net voordat ik mijn kamer zou verlaten ging ik opeens op het bed zitten. Ik herinnerde me Cincinnatus, mijn anonieme e-mailcorrespondent van zes maanden daarvoor, die me had overladen met gemailde verzoeken om pgp te installeren, zodat hij me belangrijke informatie kon sturen. In alle opwinding schoot het door me heen dat hij misschien ook een waardevol verhaal voor me in petto had. Ik herinnerde me zijn e-mailnaam
niet meer, maar wist uiteindelijk een van zijn mails te vinden door op sleutelwoorden te zoeken.

‘He, goed nieuws,’ schreef ik hem. ‘Ik weet, het heeft lang geduurd, maar nu gebruik ik dan eindelijk pgp-mail. Ik kan dus elk moment met je in gesprek, mocht je nog belangstelling hebben.’ Ik klikte op versturen.

Vlak na mijn aankomst in zijn kamer zei Snowden met meer dan iets van spot in zijn stem: ‘Trouwens, de Cincinnatus die je daarnet hebt gemaild, dat ben ik.’

Het duurde even voordat de boodschap tot me doordrong en ik mezelf weer een houding wist te geven. Degene die maanden geleden wanhopige pogingen had ondernomen om mij versleutelde e-mail te laten gebruiken was Snowden. Mijn eerste contact met hem had niet in mei plaatsgevonden, een maand geleden, maar vele maanden daarvoor. Voordat hij Laura had benaderd over de lekken, voordat hij wie dan ook had benaderd, had hij geprobeerd mij te bereiken.

Onze onderlinge band werd hechter dankzij al die uren die we dag in dag uit gedrieën doorbrachten. De onhandigheid en de spanning van ons eerste bijeenzijn waren al snel overgegaan in een relatie die gekenmerkt werd door collegialiteit, vertrouwen en eensgezindheid. We wisten dat we samen een van de belangrijkste gebeurtenissen van ons leven meemaakten.

Maar nu het artikel voor boundless informant in de openbaarheid was, maakte de vrij ontspannen sfeer die we de voorafgaande dagen in stand hadden weten te houden plaats voor tastbare nervositeit. Want minder dan 24 uur later zouden we Snowdens identiteit onthullen, waardoor alles anders zou worden, wisten we, vooral voor hem. Met z’n drieën hadden we een korte maar uitzonderlijk intense en vruchtbare periode van samenwerking meegemaakt. Een van ons, Snowden, zou op korte termijn uit de groep worden gehaald, waarschijnlijk voor een langdurig verblijf in de gevangenis; een besef dat vanaf aanvang als een lagedrukgebied in de lucht had gehangen en de sfeer had getemperd, voor mij althans wel. Alleen Snowden leek er geen lastig van te hebben gehad. Gaandeweg begonnen we een lichte vorm van galgenhumor te bezigen.

‘In Gitmo wil ik het onderste bed,’ grapte Snowden toen we het over de nabije toekomst hadden. Wanneer we onze verdere artikelen bespraken, plaatste hij opmerkingen als: ‘Dat wordt meegenomen in de aanklacht. De enige vraag is dan nog of het in die tegen jullie of die tegen mij belandt.’ Meestal bleef hij ongelooflijk rustig. Zelfs toen het einde van zijn vrijheid steeds dichterbij kwam ging Snowden om half elf naar bed, zoals hij tijdens mijn verblijf
in Hong Kong elke avond had gedaan. Terwijl ik nauwelijks langer dan twee uur achtereen kon slapen, wist hij zijn patroon vast te houden. ‘Oké, ik duik maar eens m’n nest in,’ verkondigde hij elke avond nonchalant voordat hij rustig zevenenhalf uur ging slapen. Als we Snowden vroegen hoe hij het voor elkaar kreeg om in deze omstandigheden zo goed te slapen, antwoordde hij dat hij volkomen in het reine was met zichzelf en daarom geen moeite had met de nachten. ‘Ik heb waarschijnlijk nog maar een paar dagen een fatsoenlijk kussen,’ grapte hij, ‘dus moet ik er maar goed van genieten.’

***

Op zondagmiddag – Hongkongse tijd – voltooiden Ewen en ik ons artikel waarin we Snowden bekendmaakten aan de buitenwereld. In de tussentijd maakte Laura de montage van de video af. Janine, die bij het ochtendkrieken in New York inlogde op de chat, liet ik weten dat het essentieel was om het nieuws zo zorgvuldig mogelijk naar buiten te brengen en dat ik me persoonlijk verplicht voelde Snowdens keuzes recht te doen. Ik vertrouwde mijn collega’s van The Guardian steeds meer, zowel redactietechnisch als wat hun moed betrof. Maar in dit geval wilde ik elke redactionele ingreep checken, hoe groot of klein ook, want het ging om het artikel waarin Snowdens identiteit zou worden onthuld aan de hele wereld.

Later diezelfde middag kwam Laura naar mijn hotelkamer om mij en Ewen haar video te laten zien. Gedrieën bekeken we hem in stilte. Laura had fantastisch werk verricht – de stijl was sober en de montage voortreffelijk – maar de kracht van de film school vooral in het feit dat Snowden zelf zijn verhaal vertelde. Met verve bracht hij zijn overtuiging, passie, engagement op de kijker over, alles wat hem ertoe had gebracht in actie te komen. Ik wist dat miljoenen mensen geïnspireerd zouden worden door de moed waarmee hij naar voren trad om zijn daden uit de doeken te doen en er verantwoording over af te leggen, door zijn weigering onder te duiken en zich te laten opjagen.

Voor alles wilde ik dat de wereld zag hoe onverschrokken Snowden was. Het Amerikaanse landsbestuur had het voorafgaande decennium zijn uiterste best gedaan om te laten zien dat zijn macht geen grenzen kende. Het had oorlogen ontketend, had mensen gemarteld en gevangengezet zonder ze in staat van beschuldiging te stellen, had met drones doelen gebombardeerd en zo, buiten de wet om, gemoord. En de boodschappers bleven niet buiten schot; klokkenluiders waren tegengewerkt en vervolgd, journalisten waren bedreigd met gevangenisstraf. Met behulp van een uitgekiend systeem om alle serieuze critici, al dan niet in wording, te intimideren, had de overheid geprobeerd mensen over de hele wereld te laten zien dat haar macht niet gehinderd werd door wetten (inclusief de grondwet), moraal of ethiek; moet je zien wat we allemaal kunnen en zullen doen met degenen die onze plannen dwarsbomen.

Snowden had die intimidaties straal genegeerd. Moed is besmettelijk. Ik wist dat hij talloze mensen ertoe kon brengen zijn voorbeeld te volgen.

Zondag 9 juni om twee uur ’s middags Hongkongse tijd publiceerde The Guardian het artikel waarin Snowden werd voorgesteld aan de buitenwereld: Edward Snowden: The Whistleblower Behind the nsa Surveillance Revelations. Boven aan het artikel stond een link naar Laura’s twaalf minuten durende video. De eerste zin luidde: ‘De persoon die verantwoordelijk is voor een van de omvangrijkste lekken in de geschiedenis van de Amerikaanse politiek is Edward Snowden, een 29-jarige voormalig technisch medewerker van de cia en momenteel werknemer van Booz Allen Hamilton, adviesbureau op het vlak van onder meer defensie.’ In het artikel werd Snowdens verhaal verteld; zijn drijfveren kwamen aan bod en er viel in te lezen dat ‘Snowden de geschiedenis in zal gaan als een van Amerika’s invloedrijkste klokkenluiders, naast Daniel Ellsberg en Bradley Manning’. We citeerden uit een eerder bericht van Snowden dat aan Laura en mij was gericht: ‘Ik weet dat men mij zal laten lijden voor mijn handelingen [...], maar ik ben tevreden als het verbond van geheime wetten, juridische willekeur en losgeslagen machthebbers dat mijn geliefde wereld regeert aan het licht komt, al is het maar voor even.’

De reacties op het artikel en de video waren heftiger dan alles wat ik ooit als schrijver had meegemaakt. Ellsberg zelf schreef de dag erna in The Guardian: ‘De Amerikaanse geschiedenis kent geen belangrijker lek dan Edward Snowden en het door hem onthulde nsa-materiaal –met inbegrip van de Pentagon Papers, veertig jaar geleden, dat staat buiten kijf.’

Alleen al de eerste paar dagen na publicatie van het artikel zetten een paar honderdduizend mensen de link op hun Facebook-pagina. Bijna drie miljoen mensen keken naar het interview op YouTube. Nog veel meer mensen zagen het op de website van The Guardian. Uit de overweldigende respons bleek vooral dat Snowdens moed anderen schokte en inspireerde.

Laura, Snowden en ik volgden samen de reacties op de onthulling van zijn identiteit. In de tussentijd discussieerde ik ook met twee mediastrategen van The Guardian over de vraag met welke tv-interviews ik die maandagochtend zou moeten instemmen. De uitkomst daarvan was: Morning Joe op msnbc, gevolgd door The Today Show van nbc. Dat waren de twee programma’s die het vroegst werden uitgezonden en voor de rest van de dag de berichtgeving over Snowden grotendeels zouden bepalen.

Maar om vijf uur ’s ochtends, nog voordat ik me richting die interviews kon begeven en maar een paar uur na de publicatie van het Snowden-artikel, werden we opgeschrikt door een telefoontje van een trouwe lezer van me die in Hong Kong woont en met wie ik die hele week af en toe had gecommuniceerd. Tijdens dat matineuze telefoontje benadrukte hij dat iedereen binnen de kortste keren in Hong Kong op zoek zou gaan naar Snowden en dat hij dringend advocaten moest krijgen, advocaten die om de hoek woonden en de juiste connecties hadden. Hij kon twee van de beste mensenrechtenadvocaten leveren die bereid waren hem te verdedigen. Of ze per direct gedrieën naar mijn hotel konden komen?

We spraken af dat we elkaar iets later zouden treffen, rond acht uur ’s morgens. Ik sliep een paar uur, totdat hij me om zeven uur, een uur te vroeg, opnieuw belde.

‘We staan al beneden in je hotel,’ zei hij. ‘De twee advocaten zijn bij me. De lobby hier beneden staat vol camera’s en verslaggevers. De media zijn op zoek naar Snowdens hotel en zullen dat heel snel vinden. En volgens de advocaten moeten ze hem per se spreken voordat de media hem hebben gevonden.’ Slaapdronken schoot ik gauw wat kleding aan en strompelde naar de deur. Zodra ik die had opengedaan werd ik getroffen door het flitslicht van diverse camera’s. Kennelijk had een horde medialieden iemand van het hotel wat betaald om mijn kamernummer te krijgen. Twee vrouwen stelden zich voor als verslaggevers van The Wall Street Journal in Hong Kong; andere mensen, onder wie een met een grote camera, waren van Associated Press.

Ze vuurden hun vragen op me af vanuit een halve cirkel om mij heen, terwijl ik naar de lift liep. Ze duwden en trokken om bij me in de lift te komen, de ene na de andere vraag stellend. De meeste daarvan beantwoordde ik met korte, afgemeten, nietszeggende antwoorden.

Beneden in de lobby kreeg de groep versterking van een volgende zwerm camera’s en verslaggevers. Ik wilde op zoek gaan naar mijn trouwe lezer en de advocaten, maar kon nog geen twee stappen verzetten zonder door iemand te worden gedwarsboomd.

Wat me vooral zorgen baarde was de kans dat de zwerm me zou volgen, zodat de advocaten niet ongezien bij Snowden konden komen. Ik besloot toen maar een geïmproviseerde persconferentie in de lobby te houden en een aantal vragen te beantwoorden, zodat de verslaggevers zouden vertrekken. Na iets van een kwartier hadden de meesten van hen zich inderdaad ergens teruggetrokken.

Tot mijn opluchting stuitte ik toen op Gill Phillips, hoofd juridische zaken van The Guardian, die onderweg van Australië naar Londen in Hong Kong was uitgestapt om Ewen en mij juridisch advies te geven. Ze zei alle mogelijke manieren te willen onderzoeken waarop The Guardian Snowden zou kunnen beschermen. ‘Alan wil hem koste wat kost alle steun geven waartoe we juridisch in staat zijn,’ zei ze. Omdat we nog een paar reporters in ons kielzog hadden konden we elkaar niet verder spreken zonder dat er werd meegeluisterd.

Ten slotte vond ik dan toch mijn lezer en de twee advocaten uit Hong Kong die hij had meegenomen. We overlegden hoe we elkaar in alle rust konden spreken, waarna we naar de kamer van Gill afreisden. We sloegen de deur dicht voor de neus van de paar verslaggevers die ons ook daarheen waren gevolgd.

We kwamen meteen ter zake. De advocaten wilden Snowden zo snel mogelijk spreken, zodat ze formeel diens toestemming konden krijgen om hem te vertegenwoordigen, waarna zijn juridische verdediging kon beginnen.

Gill probeerde als een bezetene op haar telefoon informatie over deze advocaten te vinden; we hadden nog maar net kennisgemaakt en konden Snowden niet zomaar aan hen overdragen. Ze stelde vast dat de advocaten inderdaad goed bekendstonden, op het vlak van mensenrechten en asielbeleid, en in de Hongkongse politiek over een prima netwerk leken te beschikken. Terwijl Gill met haar geïmproviseerde due diligence-onderzoek bezig was, logde ik in bij ons chatprogramma. Zowel Snowden als Laura was online.

Laura, die inmiddels in Snowdens hotel verbleef, wist zeker dat het slechts een kwestie van tijd was eer de journalisten ook hun locatie zouden achterhalen. Snowden stond duidelijk te popelen om te vertrekken. Ik vertelde hem over de advocaten, die elk moment naar zijn hotelkamer konden komen. Snowden gaf via het chatprogramma aan dat ze hem maar moesten ophalen en naar een schuilplaats moesten brengen. Het werd, zei hij, ‘tijd voor het
gedeelte van het plan waarin ik de wereld om bescherming en gerechtigheid vraag.’

‘Maar ik moet het hotel uit zien te komen zonder dat de verslaggevers me herkennen,’ merkte hij op. ‘Anders zullen ze me overal achtervolgen.’

Ik deelde zijn zorgen met de advocaten.

‘Heeft hij enig idee hoe we dat kunnen voorkomen?’ vroeg een van hen.

Ik stelde diezelfde vraag aan Snowden.

‘Ik tref voorbereidingen om mijn uiterlijk te veranderen,’ zei hij. Kennelijk had hij hier al eerder over nagedacht. ‘Ik kan mezelf onherkenbaar maken.’

Op dat moment concludeerde ik dat de advocaten maar beter rechtstreeks met hem konden communiceren. Voordat het zover was moest Snowden eerst formeel laten weten dat ze hem mochten vertegenwoordigden. Ik gaf Snowden de desbetreffende zin via de chat door, waarna hij de zin weer intikte en die mij toestuurde. Waarop de advocaten de computer van me overnamen en met Snowden in gesprek gingen.

Na tien minuten kondigden de twee advocaten aan dat ze direct naar Snowdens hotel gingen om hem ongezien het hotel uit te smokkelen.

‘Wat willen jullie daarna met hem doen?’ vroeg ik.

Waarschijnlijk zouden ze hem naar het kantoor van de Verenigde Naties in Hong Kong brengen en de vn officieel vragen hem te beschermen tegen de Verenigde Staten, met als reden dat Snowden een vluchteling was die asiel zocht. Of ze zouden proberen een onderduikadres voor hem te regelen, zeiden ze.

Maar hoe kregen we de advocaten uit het hotel zonder dat ze werden gevolgd? We bedachten een plan: Gill en ik zouden vanuit haar hotelkamer naar de lobby beneden lopen om de verslaggevers – die nog steeds bij ons voor de deur stonden – weg te lokken. De advocaten zouden een paar minuten wachten en dan het hotel verlaten, hopelijk zonder te worden opgemerkt.

De list lukte. Na een half uur met Gill te hebben staan kletsen in een winkelcentrum dat aan het hotel vastzat, ging ik weer naar mijn kamer en belde gespannen een van de advocaten op diens mobiel.

‘Net voordat de journalisten daar rond begonnen te zwermen wist Snowden weg te glippen,’ zei hij. ‘We hebben elkaar in zijn hotelkamer de hand geschud’ – tegenover de ruimte met de alligator waar we met Snowden kennis hadden gemaakt, hoorde ik later – ‘en zijn over een brug naar het winkelcentrum ernaast gelopen en vanuit daar naar onze klaarstaande auto. Hij is nu bij ons.’

Waar brachten ze hem naartoe?

‘Dat kunnen we maar beter niet telefonisch bespreken,’ antwoordde de advocaat. ‘Voorlopig is hij veilig.’

Ik was ontzettend opgelucht dat Snowden in goede handen was, maar wist dat het goed mogelijk was dat we hem nooit meer zouden zien of spreken, in elk geval niet met Snowden als vrij man. De volgende keer dat we hem zouden zien, peinsde ik, had hij hoogstwaarschijnlijk een oranje gevangenispak aan en handboeien om, op tv, voor een Amerikaanse rechtbank, waar hem spionage ten laste werd gelegd.

Terwijl ik de jongste ontwikkelingen overdacht werd er op de deur geklopt. Het was de algemeen manager van het hotel, die me kwam vertellen dat er continu gebeld werd voor mijn kamer (ik had de mensen van de receptie gevraagd niemand door te schakelen). Ook stonden er beneden in de lobby drommen verslaggevers, fotografen en cameramensen te wachten tot ik zou opdagen.

‘Als u dat wilt,’ zei hij, ‘kunnen we u met een lift aan de achterkant naar een uitgang brengen die voor niemand zichtbaar is. En de advocaat van The Guardian heeft in een ander hotel onder een andere naam gereserveerd, dus mocht u dat willen…’

Dit was niet mis te verstane hotelmanagerstaal voor: we willen dat u vertrekt, want u veroorzaakt te veel onrust. Het leek me hoe dan ook een goed idee; ik wilde mijn werk in relatieve stilte voortzetten en koesterde nog steeds hoop in contact te kunnen blijven met Snowden. Dus pakte ik mijn tassen, liep achter de manager aan naar de achteruitgang, trof Ewen in een daar klaarstaande auto en checkte in bij een ander hotel onder de naam van de advocaat van The Guardian.

Het eerste wat ik deed was inloggen op mijn computer in de hoop iets van Snowden te horen. Een paar minuten later verscheen hij online.

‘Het gaat prima met me,’ liet hij weten. ‘Voorlopig in een safe house. Maar ik heb geen idee hoe veilig het is of hoe lang ik hier zal blijven. Ik zal van plek naar plek moeten verhuizen en mijn toegang tot internet is onvoorspelbaar, dus ik weet niet wanneer of hoe vaak ik online zal zijn.’

Hij had er merkbaar niet veel zin in meer over zijn locatie te vertellen, en dat wilde ik ook niet. Ik wist dat ik nauwelijks iets kon bijdragen aan zijn streven op vrije voeten te blijven. Hij was voor ’s werelds machtigste regering nu ’s werelds meest gezochte man. De vs hadden al geëist dat de autoriteiten van Hong Kong hem zouden arresteren en zouden uitleveren aan de Amerikanen.

Met als gevolg dat we elkaar maar even en oppervlakkig spraken, wederzijds de hoop uitsprekend dat we contact zouden houden. Ik vroeg hem vooral goed uit te blijven kijken.

***

Toen ik eindelijk de studio bereikte waar ik de interviews voor Morning Joe en The Today Show zou doen, merkte ik direct dat de teneur van de vragen significant was veranderd. De presentatoren gingen niet zozeer met mij als verslaggever in gesprek, maar openden de aanval op een nieuw doel: Snowden zelf, inmiddels een schimmige figuur in Hong Kong. Veel Amerikaanse journalisten pikten de hun bekende rol van overheidsdienaren op. Het verhaal luidde niet langer dat collega’s ernstig machtsmisbruik door de nsa hadden blootgelegd, maar dat een Amerikaan die voor de overheid werkte als een soort ‘verrader’ zijn verplichtingen niet was nagekomen, misdaden had begaan en vervolgens ‘naar China was gevlucht’.

Mijn interviews met beide presentatoren – Mika Brzezinski en Savannah Guthrie – waren fel en zuur van toon. Ook omdat ik meer dan een volle week nauwelijks aan slapen was toegekomen lukte het me niet geduldig in te gaan op de kritiek op Snowden die ze in hun vragen verpakten. Ik vond dat journalisten de loftrompet moesten steken over iemand die meer dan wie ook in de afgelopen jaren onze afluisterstaat transparanter had gemaakt, in plaats van diegene zwart te maken.

Na een paar dagen vol interviews constateerde ik dat het tijd werd om Hong Kong te verlaten. Ik kon Snowden nu met geen mogelijkheid meer ontmoeten of ook maar iets doen om te helpen vanuit Hong Kong, zo veel was wel duidelijk. Bovendien was ik inmiddels volslagen uitgeput: lichamelijk, emotioneel en geestelijk. Ik wilde graag terug naar Rio.

Ik overwoog terug te vliegen via New York en daar nog een dag interviews te doen, gewoon om aan te geven dat ik dat kon en ertoe bereid was. Maar een advocaat adviseerde me dat niet te doen, met als argument dat het niet verstandig was zulke juridische risico’s te nemen zonder te weten hoe de overheid van plan was te reageren. ‘Je hebt net het grootste staatsveiligheidslek in de geschiedenis van Amerika aan het licht gebracht en bent op alle tv-zenders geweest met de pittigste boodschap die je je kunt voorstellen,’ zei hij. ‘Het slaat pas ergens op om een trip naar de vs te organiseren als we een indruk hebben van de aanpak van het ministerie van Justitie.’

Ik was het daar niet mee eens; mij leek het extreem onwaarschijnlijk dat de regering-Obama een journalist midden in zo’n geruchtmakende affaire zou arresteren. Maar ik was te uitgeput om ertegenin te gaan of om het risico te nemen. Dus liet ik The Guardian een vlucht naar Rio via Dubai boeken, ver buiten de VS om. Voorlopig had ik genoeg gedaan, leek me.

De afluisterstaat (No place to hide) van Glenn Greenwald verschijnt morgen bij uitgeverij Lebowski en kost 18,90.