Ik geef de raarste geheimen prijs

De nieuwe Herman Koch is zo’n beetje 95 procent biografisch, zegt hij bij een steak tartare. „Ik was een jongen voor wie je moest uitkijken.”

Herman Koch lijkt, zegt hij, op de Herman in zijn nieuwste roman. „George Clooney was ik niet, maar toch was ik redelijk populair.”
Herman Koch lijkt, zegt hij, op de Herman in zijn nieuwste roman. „George Clooney was ik niet, maar toch was ik redelijk populair.”

We gaan „gewoon echt eten”. Herman Koch (60) mailt dat hij regelmatig uitgebreid uit lunchen gaat. Geen „pistoletje of een tosti mozzarella”. Maar: „Voorgerecht, hoofdgerecht et cetera. Daar mogen (moeten) dan een ook een paar biertjes of een flesje wijn bij.” Hij stelt voor dat te doen bij Dauphine, een groot restaurant bij het Amstelstation in Amsterdam. De aanleiding voor de lunch: Herman Koch, Nederlands succesvolste schrijver, publiceerde deze week zijn nieuwe boek, Geachte meneer M..

De avond voor onze afspraak las ik de laatste twintig bladzijdes van zijn roman. De dag erop duizelt het me nog. De personages, plotwendingen, spanningsbogen en onopgeloste kwesties. Niet dat het een moeilijk boek is, of lastig leesbaar. Helemaal niet. Het leest bedrieglijk makkelijk. En toch is het complex. De eerste bladzijdes schreef hij twintig jaar geleden, zegt Herman Koch. Hij had toen net zijn eerste echte roman geschreven, Red ons, Maria Montanelli. Later schreef hij nog eens tachtig bladzijdes. In de tussentijd verschenen (onder andere) Het Diner en Zomerhuis met zwembad, allebei megasellers. Drie boeken die worden verteld door een manlijk ik-figuur; in Maria Montenelli is hij een rebelse puber, in de laatste twee boeken is de puber uitgegroeid tot een bozige volwassen man. „Die stem had ik te pakken.”

Drie jaar geleden begon hij voor de derde keer aan Geachte meneer M.. „Ineens wist ik hoe ik verder moest: de andere personages moesten ook een stem krijgen.” Niet alleen puber Herman spreekt, maar ook zijn zeventienjarige vriendinnetje en de leuke jonge leraar die verliefd op haar is en haar stalkt. Ook aan het woord komt de ooit succesvolle schrijver M., die een bestseller schreef over een puberstel dat een jaloerse leraar vermoordt. We lezen mee met zijn te jonge echtgenote en komen ten slotte weer uit bij de puberjongen, inmiddels volwassen en nu de onderbuurman van de schrijver.

„Dit boek zou me tijd gaan kosten. Het zou een grotere, rijkere roman worden. Ik besloot dat niet erg te vinden. Dan maar niet om de twee jaar een nieuw boek. Dat hoeft ook helemaal niet.” Misschien moet hij zeggen: hij hoeft dat niet. Hij (en uitgeverij Ambo/Anthos) kunnen nog lang teren op de miljoen wereldwijd verkochte exemplaren van Het Diner uit 2009. „Af en toe krijg ik weer een pakketje thuisbezorgd. Met de Egyptische vertaling, of de Arabische. Wat was er nou vorige week... Georgië heeft net de vertaalrechten gekocht.”

De ooit-succesvolle-schrijver M. uit het boek overdenkt, vlak voor hij overlijdt, het schrijversschap. Er zijn twee typen schrijvers, vindt hij. De meemaakschrijvers die alles eerst moeten ondervinden (reizen, diepzeeduiken, echtscheiden) voor ze erover kunnen schrijven; en de thuisblijfschrijver die in zijn studeerkamer put uit zijn verbeelding.

Boeken deelt hij ook op in twee soorten: literatuur en ‘overige boeken’. Literatuur is als eten in een sterrenrestaurant: een verfijnd hapje. De ‘overige boeken’ zijn als een bezoek aan McDonald’s; een soppig broodje hamburger. Soms heb je er zin in, maar achteraf komt het schuldgevoel. Ik vraag de nu-zeer-succesvolle-schrijver Herman Koch wat voor boek Geachte meneer M. is: een truffel of een Big Mac? Hij denkt een halve seconde na en zegt: „Iets ertussenin.” Eigenlijk, zegt hij, is zijn boek als het restaurant waar we nu zitten. Dauphine. „Een goed restaurant, waar je heel lekker kunt eten, voor een redelijke prijs. Geen fastfood, maar je hoeft niet bij elke hap na te denken over de exquise bereiding ervan.”

Ik moest me vooral niet verplicht voelen om met hem mee te doen „qua menu”. Dat schreef hij in diezelfde mail vooraf. „Een salade en een flesje water mag ook.” Ik doe de sla, hij bestelt een biertje en steak tartare met friet. De gewoonte om uitgebreid te lunchen heeft hij overgehouden aan de jaren dat hij in Barcelona woonde. Halverwege de jaren tachtig, hij was 32, bedacht hij dat hij een tijdje in het buitenland wilde wonen. Omdat? Hij haalt zijn schouders op. „Ik had niet zo veel in Amsterdam. Geen werk. Geen koophuis. Geen bezit.” Hij had erbij kunnen zeggen: geen afgeronde studie (hij deed Russisch) en geen ouders meer. Zijn moeder overleed toen hij zeventien was, zijn vader verloor hij op z’n vijfentwintigste. Ik vraag waar hij van leefde. „Ik had net een contractje bij Borat.” Een satirisch radioprogramma van de VPRO. „Twee keer per week stuurde ik een cassettebandje op met interviews met mezelf.”

Nu een kort romantisch intermezzo. Hoe hij in Barcelona Amalia leert kennen, studente Spaanse taal- en letterkunde. Zo ging het: „Mijn oudere zus ging ook naar Spanje.” Hij heeft drie halfzussen en een halfbroer, geboren uit een eerder huwelijk van zijn vader. Deze oudere zus is Els Pelgrom, kinderboekenschrijfster, inmiddels tachtig jaar. „Zij zei, zes weken voor ons vertrek: ik weet een goede bijlesleraar Spaans, een Argentijn.” Herman wilde niet op taalles, maar ging toch. „Leuke man, drie dagen jonger dan ik. Kortom: we werden vrienden.”

De Argentijn geeft hem een cassettebandje en een dichtbundel mee. Voor een voorbije Spaanse liefde van hem. Koch bezorgt het pakketje bij haar thuis. Leuke vrouw neemt het in ontvangst. Verder niks. Een maand later. Of hij nog een pakketje bij haar kan afgeven. Dit keer spreekt hij met haar af op een terras. „We hebben er elf uur gezeten.” Het duurt nog een tijd voor het echt wat wordt. „Met mijn vijftig woorden Spaans schijn ik die avond tegen haar te hebben gezegd dat ik met ‘mijn’ vriend had samengewoond.” Zijn ogen knipperen achter zijn brillenglazen: „Je voordoen als niet-hetero. Uitstékende versierstrategie.” Afgelopen week vierden ze dat ze achtentwintig jaar samen zijn. Ze hebben één zoon. Pablo van 19.

Signeren

Met een vork mengt hij de eidooier, de kappertjes en de gesnipperde uitjes door het rauwe vlees op zijn bord. Hij besprenkelt het mengsel met worcestersaus en een scheutje tabasco. De ingrediënten liggen klaar op het aanrecht, zegt schrijver M. in het boek. Het is aan de schrijver er een maaltijd van te maken. Wat doet Herman Koch in Geachte meneer M.? Mengen en husselen. Het lijkt of Koch, versnipperd in duizenden stukjes, in elk personage en elke gebeurtenis zit. Hij schrijft over het schrijversbestaan: het boekenbal – „Geen bal aan” – signeren in de bibliotheek, veranderen van uitgeverij en ineens „astronomisch veel” boeken verkopen. Zijn jeugd zit erin, zijn schooltijd op het Spinoza Lyceum in Amsterdam. De leraren en de rector figureren zelfs onder hun eigen naam. Het vriendengroepje van toen – nog altijd zijn vrienden – komt er in voor. „Maar niemand zal zichzelf herkennen.” Hij heeft de een karaktereigenschappen van de ander gegeven, uiterlijkheden veranderd, en niet Herman maar een andere zeventienjarige een terminaal zieke moeder gegeven.

Ja, hij lijkt op de Herman in het boek. Een te dunne jongen met een raar gebit. „George Clooney was ik niet, maar toch was ik redelijk populair.” Verlegen, en tegelijk luidruchtig en ad rem. „Er waren veel van die te geestige types bij ons op school.” En net als de boek-Herman viel hij bij meisjes in de smaak. „Een jongen voor wie je moet uitkijken, die sarcastische opmerkingen kan maken. Niet knap, wel aantrekkelijk.” Zo beschrijft hij, door de ogen van de zeventienjarige Laura, de jonge Herman Koch. „Me inleven in een meisje van die leeftijd was het moeilijkst om te doen, maar ook het leukst. Ik wilde proberen of ik het kon.” Hoe verder een personage van je af staat, zegt hij, hoe meer biografische details erin sluipen. „Je kunt de raarste geheimen prijsgeven. Voor 95 procent bestaat dit boek uit mijn leven.”

Even wat biografische verwijzingen checken: Over wie heeft hij het als hij een jongen beschrijft die enig kind is (en dus verwend en niet behulpzaam)? Zichzelf of zijn zoon? „Allebei. Maar uit eigen ervaring kan ik zeggen dat enig kinderen niet zielig zijn. Ik was alleen, maar nooit eenzaam. Missie nummer één als ik met mijn ouders met vakantie was, met wie ik trouwens veel beter kon opschieten dan ik in welk boek dan ook heb beweerd: vrienden maken.”

De stalkende leraar, bestaat die echt? „Niet precies deze. Maar elke vrouw herinnert zich wel een te handtastelijke leraar.” Waarheidsgetrouw is ook zijn afkeer van middelbare scholen in het algemeen, en middelbareschoolleraren in het bijzonder. „Een leraar behoort tot de middelmatigste mensensoort”, laat hij de boek-Herman zeggen. De schrijver Koch zegt dat hij aan twee leraren goede herinneringen heeft. Een alcoholist die later zelfmoord pleegde. En een jonge leraar die een relatie had met een leerling. „Vijf jaar geleden ontmoette ik hem bij toeval. Hij zegt: mag ik je aan mijn vrouw voorstellen. Dat was nog steeds hetzelfde meisje. Dat vond ik eigenlijk prachtig.”

Door de ogen van de onderbuurman en de vrouw van schrijver M. zien we schrijver M. aan het werk. Hij sluit zich op in zijn werkkamer. Hij schrijft. En als hij niet schrijft, denkt hij. Hij kan geen koffie zetten en niet koken. Hij praat nauwelijks tegen zijn vrouw of kind, dat leidt maar af. Kochs schrijver heeft veel weg van wijlen Harry Mulisch, natuurlijk. Maar, is het ook een zelfportret? Herman Koch kreunt. Zijn gezicht drukt tegelijkertijd afkeer en hilariteit uit. „De heiligheid van het schrijven”, hikt hij. „Hoogdravend en érg belangrijk.” Nee, zegt hij, nu weer op normale toon. Schrijven doet hij in de keuken, of liggend op de bank. Twee uurtje per dag, niet meer. „Ik ben, denk ik, de minst lastige schrijver om mee in een huis te wonen.”