Nieuwe roman Peter Terrin ‘lichtste’ en ‘toegankelijkste’ tot nu toe

Peter Terrin
Peter Terrin Foto ANP

Je hoeft er niet eens een lijstje voor te maken: Peter Terrin behoort tot het handvol écht interessante Nederlandstalige schrijvers. Met zijn nieuwe roman als kantelpunt in zijn werk.

Een vertegenwoordiger in marmer slaat op een eenzame hotelavond een boek open dat hij van huis heeft meegenomen. Hij is geen lezer. Toch treft dit boek deze twintiger als een mokerslag. Hij leest en denkt: dit is wat ik wil doen, dit is wat ik wil kunnen. Hij besluit de stenen de stenen te laten en zijn leven verder aan de literatuur te wijden. Hij stort zich op boeken waarvan hij het bestaan amper vermoedde – van huis uit heeft hij niet veel literatuur meegekregen. En hij gaat aan het werk.

Tot ongeveer hier had dit een verhaal van de Vlaamse schrijver Peter Terrin kunnen zijn. Dan was het verkeerd gelopen met de jongeman: de ambitieuze beginnende schrijver zou in de buitenwereld niet opgemerkt worden, hij zou ten prooi vallen aan de vreselijkste angsten, een verzengend writer’s block krijgen en binnen de kortste keren zijn huis niet meer uit durven. Maar ja, dit is geen verhaal van Peter Terrin, dit is een verhaal over Peter Terrin, de marmerverkoper die door De donkere kamer van Damokles schrijver werd. En het liep niet spaak: op zijn dertigste publiceerde Terrin zijn eerste verhalenbundel en er volgde een reeks romans. Op zijn 45ste won de oud-vertegenwoordiger de AKO-literatuurprijs. Hij was beroemd.

Je hoeft er niet eens een lijstje voor te maken: Peter Terrin behoort tot het handvol écht interessante Nederlandstalige schrijvers. Blanco (2003) was een voortreffelijke roman over een vader die aan zijn eigen angst ten onder gaat nadat zijn vrouw bij een carjacking is omgekomen. Dat boek overtrof hij nog met De bewaker (2009) waarin twee angstige mannen na een onduidelijke apocalyps de parkeergarage van een flatgebouw moeten bewaken. Wéér een zeer boze en onbegrijpelijke omgeving dus, maar ook een wonderlijke mannenliefde, competentiestrijd en tenslotte een ontsnappingspoging.

De grote prijs die Terrin voor De bewaker had moeten krijgen, kreeg hij voor Post Mortem: een autobiografische roman als een betekenislawine, vol dwarsverbanden en verwijzingen die uiteindelijk draait om het tekortschieten van de verbeelding en om een ernstig ziek kind. De buitenwereld is in de boeken van Terrin koud, hard, onverschillig en onbegrijpelijk – dat hij iets in het werk van W.F. Hermans herkende, wekt geen verbazing. In Terrins bijleesjaren zal ook Kafka langsgekomen zijn. Het eigene van de boeken zit in zijn hoofdpersonen, die hij vaak naïef, maar altijd liefdevol beschrijft. Peter Terrin schrijft als een misantroop die maar geen hekel aan mensen kan krijgen.

De setting van Monte Carlo, het eerste boek van Terrin bij zijn nieuwe uitgeverij De Bezige Bij, is opmerkelijk. We beginnen niet somber binnen in een appartement, fabriekshal of ziekenhuiskamer, maar in de open lucht op een van de lichtste plaatsen van Europa: in Monte Carlo in 1968, waar de Grand Prix Formule 1 op het punt van beginnen staat. De roman is de lichtste roman die Terrin tot nu toe schreef en waarschijnlijk ook de toegankelijkste.

Dit betreft een ingekorte versie van de recensie die Arjen Fortuin schreef over Monte Carlo, de nieuwe roman van de Vlaamse schrijver en oud-AKO-prijswinnaar Peter Terrin. De hele recensie staat vandaag in de Boekenbijlage van NRC Handelsblad. Abonnees kunnen de digitale versie hier lezen.

    • Arjen Fortuin