Dove met horende ouders begrijpt sarcasme slecht

Communicatie met de ouders lijkt belangrijk bij het leren van sarcasme – en andermans bedoelingen in het algemeen.

Dove kinderen met een cochleair implantaat, zoals dit jongetje van 2, hebben vaak nog moeite om in gesproken taal met anderen te praten.
Dove kinderen met een cochleair implantaat, zoals dit jongetje van 2, hebben vaak nog moeite om in gesproken taal met anderen te praten. Foto AP

Een man en een vrouw gaan picknicken. Zijn idee. Het wordt een mooie zonnige dag, zegt hij. Maar als ze het eten hebben uitgestald begint het te gieten. „Oh ja”, zegt de vrouw, „het is een heerlijke dag voor een picknick.”

Vraag. Waarom zei de vrouw dat? Is ze blij dat het regent?

Nee, natuurlijk niet. Het is sarcasme. Maar de helft van de volwassen doven met horende ouders begrijpt dat niet.

Dat blijkt uit een van de eerste onderzoeken naar de vraag in hoeverre volwassen doven met een normale intelligentie dingen die niet letterlijk zijn leren begrijpen. Het gaat daarbij om volwassenen die doof zijn geboren of die doof zijn geworden voordat ze gesproken taal hebben geleerd. Het onderzoek, onder Australische doven en horenden, is gepubliceerd in Developmental Psychology (5 mei online). In het onderzoek werd een verschil gevonden tussen doven met horende ouders en doven met dove ouders. Volwassen doven met horende ouders hebben meer moeite om sarcasme te begrijpen en om zich in de gedachten van een ander te verplaatsen dan horenden of volwassen doven met dove ouders.

Op basis van dit onderzoek kan niet worden gezegd waar het verschil precies vandaan komt, maar communicatie met de ouders, als kind, lijkt een belangrijke rol te spelen. Horende ouders van dove kinderen hebben er moeite mee om op hun leeftijd nog vloeiend gebarentaal te leren spreken. Dat betekent dat ze met hun kinderen moeilijk kunnen praten over gedachten en andere dingen die niet te zien zijn – de taalbeheersing van de ouders schiet daarvoor tekort. Het zou kunnen dat die kinderen daardoor niet goed over zulke concepten leren nadenken. Voor dove kinderen van dove ouders speelt dat minder, omdat zowel ouders als kinderen gebarentaal dan even goed beheersen – al is het bij hen misschien weer de vraag hoe goed de ouders niet-letterlijke concepten hebben geleerd.

Theory of mind

Het onderzoek, met in totaal zo’n 150 proefpersonen, keek naar begrip van sarcasme en naar de ontwikkeling van theory of mind bij dove kinderen en volwassen doven. Theory of mind is het besef dat andere mensen óók gedachten en gevoelens hebben, dat die anders zijn dan die van jezelf, en dat die het gedrag van die andere mensen (deels) kunnen verklaren. In het eerste onderzoek, bij kinderen van 5-12 jaar oud, bleek dat de horende kinderen sarcastische opmerkingen het best begrepen, dove kinderen van horende ouders het slechtst, en dove kinderen met dove ouders zaten ertussenin. Of de dove kinderen een cochleair implantaat hadden (een ingebouwd apparaatje waardoor ze weer wat geluid kunnen horen) of niet, maakte niet uit. Ook voor kinderen met zo’n implantaat is gesproken taal meestal nog erg moeilijk.

Hetzelfde patroon ontstond bij standaardtestjes voor theory of mind. Daarbij ziet de proefpersoon meestal een persoon (we noemen hem A) toekijken hoe iets verstopt wordt. Dan gaat A weg, en wordt het verstopte opgediept en op een andere plek verborgen. De vraag aan de proefpersoon is dan waar A gaat zoeken. Wie geen goede theory of mind heeft, denkt dat A op de nieuwe plek gaat zoeken, maar iemand met een goede theory of mind beseft: A kijkt op de oude plek. Ook hier presteerden horenden beter dan dove kinderen van dove ouders, en die weer beter dan dove kinderen van horendWe ouders.

In een tweede onderzoek, onder volwassenen (18-69 jaar), was er geen verschil tussen horenden en doven met dove ouders. Dit suggereert dat doven met dove ouders de achterstand die ze als kind nog hebben, inlopen, al zou langlopend onderzoek (waarbij volwassen doven al van jongsaf aan zijn gevolgd) dat nog wel moeten bevestigen. De groep doven met horende ouders presteerde significant slechter. De helft van die groep bleek helemaal geen sarcasme te begrijpen. Het goede nieuws, schrijven de onderzoekers, is wel dat ze het gemiddeld beter deden dan de dove kinderen van horende ouders uit het eerste onderzoek. Dat lijkt dus enige vooruitgang te suggereren.

De onderzoekers denken dat training voor doven in het opmerken en gebruiken van sarcasme en niet-literair taalgebruik zou kunnen helpen tegen sociale problemen. Ook zou geregeld moeten worden dat dove jongeren vooral veel informele gesprekken in gebarentaal kunnen voeren, schrijven ze. Daar duikt dan vast vanzelf sarcasme in op.