Tilburgs kledingverbod voor motorclubs slaat de plank mis

Sinds 1 mei is het voor leden van motorclubs in de binnenstad van Tilburg verboden om clubjacks of -hesjes te dragen. De burgemeester acht louter de aanwezigheid van herkenbare leden van motorclubs een bedreiging van de openbare orde.

Het is een maatregel die past in een offensief dat minister Opstelten (VVD, Justitie) in 2012 tegen motorclubs ontketende. Sindsdien worden evenementen van motorclubs zoveel mogelijk verboden en staan criminele motorclubs onder scherp toezicht van de fiscus, lokaal bestuur, politie en Openbaar Ministerie. Dat werd tijd.

Maar zoals dat gaat bij ieder verscherpt overheidsoptreden: fundamentele rechten komen in het geding, de vrijheid van vereniging en de vrijheid van meningsuiting, namelijk door kledingkeuze. De jacks zijn immers voorzien van allerlei symbolen en mededelingen die de groepsidentiteit en rangorde onderstrepen. Ongeveer vergelijkbaar met de padvinderij, brandweer of boswachters.

Motorclubs staan intussen in een kwade reuk. Vorige week concludeerde de Nationale Politie uit een onderzoek onder 600 ‘outlaw bikers’ dat 80 procent van hen een strafblad heeft en zich dus, kan men zeggen, bij de juiste club (van criminelen) heeft aangesloten. Mogelijk verontrustender is dat 44 van hen bij de overheid werken. Dat is dan exclusief Defensie: (ex-)militairen blijken een eigen motorclub te hebben die dan ook Veterans heet.

De overheid richt zich echter op de clubs die zich afficheren als vogelvrij of buitenwettelijk. Inmiddels hebben ook bonafide motorclubs last van de druk. Zij protesteren, aangemoedigd door de Bovag die de handel in motorfietsen en dus zijn klantengroep wil beschermen. De ‘easyriders’ die in het weekend in zwart leer rondtoeren, maar door de week braaf op kantoor werken. Ook hun imago wordt bedorven. Dat is jammer, maar ook een beetje eigen schuld. Veel motorclubs ontlenen hun stijl aan de underground van rebellen en ruwe jongens. Bonafide motorrijders zouden de overheid ook kunnen helpen de bokken van de schapen te scheiden, door nadrukkelijk afstand te houden van de ‘outlaws’. Dan maar een doodskop of adelaar minder: ontwikkel je eigen symboliek.

Tilburg is met een kledingverbod intussen op het verkeerde pad. De poging van de wetgever in 1933 om „kledingstukken of opzichtige onderscheidingstekens” te verbieden die „uitdrukking zijn van een bepaald staatkundig streven” was geen succes. De zwarthemden van de NSB en de rode vlaggen van de socialisten verstoorden niet zelf de openbare orde – maar hun dragers. Die moet je aanpakken, niet hun kleding. Dat geldt ook de padvinders op motorfietsen. Hun jasjes zijn niet het probleem. Maar hun gedrag.