Jaar 1944 was een keerpunt

De landing van de geallieerden in 1944 gaf hoop aan volkeren. Vrijheid vergt waakzaamheid, aldus Mary Robinson.

Het jaar 2014 is bijzonder omdat het een eeuw geleden is dat zich een van de meest tragische episodes uit de geschiedenis voltrok, het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog; een conflict dat zo bloedig was en zoveel landen meesleurde, dat het een tijdlang bekend stond als de Grote Oorlog. Niet lang echter, want kort daarop volgde een tweede gruwelijke oorlog. Een gebeurtenis die we dit jaar ook herdenken is de bevrijding van West-Europa, die zeventig jaar geleden begon. In juni 1944 landden de geallieerden in Frankrijk. De oorlog zou nog bijna een jaar duren en er zouden nog veel slachtoffers vallen. Toch betekende 1944 een keerpunt, dat overal volkeren de hoop bracht dat ze weer in vrijheid zouden kunnen leven. Het is een goede zaak dat we de nagedachtenis in ere houden van hen die hun leven voor de vrijheid gaven. Het is ook goed dat de Nederlanders het kostbare geschenk van de vrijheid vieren, iets waar nog zo veel mensen in andere landen naar snakken.

Toen ik de eerste versie van mijn lezing voorbereidde, kon ik de gebeurtenissen die zich zouden ontrollen in Oekraïne en op de Krim niet voorzien. Ze zetten de kern van mijn boodschap in een nog scherper licht. Die boodschap is verwoord door de achttiende eeuwse Ier John Philpot Curran, woorden die vaak worden toegeschreven aan de anti-slavernijactivist Wendell Phillips: „Eeuwige waakzaamheid is de prijs van de vrijheid.”

Uit de schok en afschuw van de naoorlogse jaren ontstond het verlangen om te voorkomen dat zulke verschrikkingen de wereld ooit nog zouden kunnen teisteren. Het voornemen om naar een nieuwe en betere wereldorde te streven, een wereldorde zonder conflicten, leidde tot het Handvest van de Verenigde Naties. Dit legde de grondslag voor de waarborg van vrede en vrijheid voor alle mensen. Het Handvest heeft zijn waarde talloze malen bewezen. De VN nam ook, in 1948, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens aan. Zij is niet alleen een idealistisch document, maar ook een praktisch richtsnoer hoe vrijheid in stand te houden.

Mensenrechten zijn niet alleen een doel waarnaar we voor onszelf streven. De Universele Verklaring verplicht hen die die rechten inmiddels hebben, zich ervoor in te zetten dat anderen die ook krijgen. Het is zeker dat naleving van de Universele Verklaring een belangrijke reden is geweest waarom ons continent al zo’n lange periode van vrijheid kent. Met spijt constateer ik dat in verschillende regio’s in de wereld wordt afgedongen op de normen van de Universele Verklaring. Ik zie steeds meer tegenstellingen tussen bevolkingsgroepen en een groeiende ongelijkheid in en tussen landen.

Terugkijkend op de laatste halve eeuw zien we dat langdurige en bloedige conflicten in Afrika, Azië en het Midden-Oosten aan miljoenen mensen het leven hebben gekost. En het gaat maar door. In het Grote Merengebied in Afrika, waar ik speciale VN-gezant was, woeden nu al tientallen jaren conflicten. En de Arabische Lente is er amper in geslaagd om de hoge verwachtingen uit haar begindagen waar te maken. In Egypte is bloedvergieten aan de orde van de dag, en ook steeds meer in Libanon. De gevechten in Syrië hebben miljoenen mensen van huis en haard verdreven; bombardementen en moordpartijen in Irak en Afghanistan zorgen voor een bijna vertrouwd decor.

Minder dramatisch maar niet minder belangrijk zijn de ontwikkelingen die we in de welvarende landen zien, alarmerende ontwikkelingen die indruisen tegen de hoge standaard van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Op veel plaatsen zijn politieke groeperingen in opkomst die appelleren aan vijandigheid tegenover wie anders is, aan angst en kortetermijnbelang. Meer en meer worden reserves geventileerd over vrijheid van vestiging en over homorechten. De ruimte waarbinnen de civil society haar stem kan laten horen, wordt in veel landen ingeperkt.

In een aantal Europese landen, en in verschillende verbanden, voelen mensen zich onzeker en angstig in een tijd van snelle technologische veranderingen. Burgers maken zich zorgen over hun werk, hun inkomen en zelfs hun werkomgeving. Sommige mensen zijn van mening dat de Europese Unie aan al deze onzekerheden onvoldoende tegenwicht biedt, en zij keren zich van het EU-model af – terwijl juist dat model, met al zijn onvolkomenheden, het fundament vormt van bijna zeventig jaar van vrede en welvaart. Ook gaan er meer stemmen op die onze hulp aan arme landen ter discussie stellen. En er is een tendens om te kijken naar landen die economisch succesvol zijn onder regimes met weinig oog voor mensenrechten. We moeten ons tegen dit soort populistische kreten keren. Politiek leiderschap dat de principes van de mensenrechten ondermijnt door haat en vijandschap tussen mensen te zaaien, moet sterk veroordeeld worden.

We hebben een speciale verantwoordelijkheid tegenover de jongere generatie, zij is ons heden en onze toekomst. Maar welke toekomst bieden we haar wanneer zo veel jonge mensen een opleiding hebben afgerond en vervolgens geen werk kunnen vinden? Geen wonder dat sommigen van hen cynisch en gedesillusioneerd worden.

De bestrijding van de jeugdwerkloosheid hoort voor elke regering topprioriteit te zijn. Tegelijk moeten we jonge mensen leren inzien hoe kostbaar de vrijheid is die we genieten dankzij de democratie en het respect voor de mensenrechten.

Ik kom aan mijn laatste punt. Ik geloof dat we niet moeten afdingen op of zelfs wegduiken voor onze plichten jegens de armsten in de wereld. Steun bieden aan arme landen en volkeren om aan de armoede te ontkomen is niet alleen op zichzelf van waarde, het is ook nuttig omdat het dempend werkt op conflicten. Mensen uit de rijkere landen zouden alles moeten doen wat in hun vermogen ligt om de armen te helpen.