EU bracht Nederland honderden miljarden

Nederland profiteert met zijn open economie meer dan gemiddeld van het lidmaatschap van de Europese Unie. De baten zijn veel hoger dan de kosten, menen Frans Blom, Hans Wijers en Coen Teulings.

Toenemende buitenlandse concurrentie wordt vaak als bedreiging gezien voor banen in Nederland. Ten onrechte. Voor behoud van onze werkgelegenheid en welvaart is het juist cruciaal dat we volop meedoen in die internationale concurrentieslag. Nederland heeft ook niets te vrezen. Juist wij weten internationale kansen bij uitstek te grijpen. Ons ondernemerschap heeft ons de leidende bedrijven opgeleverd waarvan we nu voor onze werkgelegenheid van afhankelijk zijn. Nieuwe kansen op de wereldmarkt en nieuw ondernemerschap zullen ons de banen van de toekomst opleveren. Daarom moet Nederland het lidmaatschap van de Europese Unie optimaal benutten.

Hoe blijft ons land internationale concurrenten voor? Maken we eerst een uitstapje naar de Olympische Spelen, afgelopen winter in Sotsji. Bij het langebaanschaatsen behaalde Nederland daar 23 van de 36 medailles. Een ongekend succes, dat niet uit de lucht kwam vallen. Twee factoren liggen eraan ten grondslag. Ten eerste is de concurrentie binnen de Nederlandse schaatswereld groot. We hebben negen commerciële schaatsploegen. De meeste concurrerende landen beschikken maar over één nationale schaatsploeg. Onze schaatsers worden dus het hele jaar uitgedaagd om boven zichzelf uit te stijgen. Ten tweede behoort de Nederlandse schaatsinfrastructuur, met zeventien 400-meterbanen, tot de wereldtop. Die twee factoren maken het Nederlandse schaatsen aantrekkelijk voor coaches en buitenlandse schaatsers. Zo ontstaat in Nederland een sterke ‘schaatscluster’. Dat heeft zich uitbetaald in Sotsji.

Nederland behoort ook qua arbeidsproductiviteit al decennia tot de wereldtop. Daardoor leiden we met relatief weinig werkuren per persoon een prettig en welvarend leven. Dat het in de toekomst zo blijft, is allerminst vanzelfsprekend. Concurrentie neemt wereldwijd toe. Wij kunnen onze levensstijl en ons welvaartsniveau alleen behouden als onze economie blijft groeien. In het verleden groeide de Nederlandse economie zowel door stijging van de arbeidsproductiviteit als door toename van arbeidsaanbod – vanwege groei van de bevolking – stijging van de participatie van vrouwen en verhoging van de pensioenleeftijd. Langzamerhand raakt de rek echter uit het arbeidsaanbod. We moeten het in de toekomst dus vooral hebben van groei van de arbeidsproductiviteit.

Hoe krijgen we dat voor elkaar? Onze productiviteit groeit alleen als onze bedrijven krachtig en innovatief zijn. Daar is een sterk concurrerend klimaat voor nodig met een fysieke - en kennisinfrastructuur van topniveau. Net als bij het schaatsen. Dat prikkelt ons bedrijfsleven het beste uit zichzelf te halen. Hier vertaalt zich dat niet in snellere rondetijden, maar in groei van arbeidsproductiviteit. En dat maakt dat ons bedrijfsleven internationale concurrenten te slim af kan zijn. Goede afzetmarkten voor onze exportartikelen versterken dat effect.

Waarom hebben we daar de EU voor nodig? Door het vrije verkeer van personen maakt de EU het voor toptalent gemakkelijker om naar Nederland te verhuizen. De EU spant zich ook in voor het verminderen en op elkaar afstemmen van wetten en regels in de lidstaten. Dat maakt het voor buitenlandse bedrijven een stuk eenvoudiger om in Nederland actief te worden. Die twee factoren vergroten de concurrentie en daarmee de arbeidsproductiviteit in Nederland.

Zo zien we dat in geliberaliseerde sectoren, zoals goederenvervoer, telecom, energie en post, onder druk van de concurrentie de productiviteit groeit. Het omgekeerde geldt ook. Het wordt niet alleen aantrekkelijker voor buitenlandse bedrijven om zich in Nederland te vestigen. Ook Nederlandse bedrijven kunnen makkelijker zakendoen in het buitenland. Waar barrières op de Europese markt wegvallen, kunnen kansrijke Nederlandse sectoren hun vleugels optimaal uitslaan. We zien dat bijvoorbeeld in de levensmiddelenindustrie. Nederland is daarin een wereldwijd kenniscentrum.

Nederland heeft een open economie. En handeldrijven zit in onze genen. Dat maakt ons land immers al eeuwen groot en welvarend. Daardoor profiteren wij meer dan gemiddeld van ons lidmaatschap van de EU. Zo blijkt Nederland als geen ander in staat de voordelen te benutten van nieuwe toetreders binnen de EU. In 1995 werden Finland, Oostenrijk en Zweden lid. Tot die tijd groeide onze export naar deze landen met zes procent per jaar. Vanaf hun toetreding werd dat tien procent per jaar. Bij de landen die in 2004 toetraden nam onze exportgroei toe van jaarlijks veertien naar 23 procent. Natuurlijk profiteren andere lidstaten, zoals bijvoorbeeld Frankrijk en Duitsland, daar ook van. Maar naar verhouding veel – vaak wel de helft - minder. Berekeningen laten zien dat Nederland per jaar voor 25 tot 30 miljard euro meer exporteert naar de landen die vanaf 1986 zijn toegetreden tot de EU. Een ruwe ‘doorvertaling’ naar de gehele EU komt dan al snel uit op een extra export van 100 tot 150 miljard euro per jaar. Nederland heeft kortom de afgelopen 20 jaar vele honderden miljarden euro’s exportvoordeel behaald dankzij het EU-lidmaatschap en de daarmee samenhangende lagere handelsbarrières.

Het debat over de Nederlandse bijdrage aan de EU en de kosten van financiële hulp aan andere lidstaten, slaat de plank mis. Die kosten vallen in het niet bij de voordelen die we uit ons lidmaatschap halen. We moeten ons juist richten op optimale benutting van de grotere afzetmarkt die het EU-lidmaatschap biedt. Dus: niet strijden voor een kleinere, maar wél voor een goed functionerende EU. Sommige nu nog kleine economische activiteiten in Nederland, kunnen internationaal leidend worden door Europese standaardisering van wetten, regels en toezicht. Kansrijk zijn gaming, app-ontwikkeling, cybersecurity en agrofood. Als deze sectoren optimaal kunnen profiteren van de grenzeloze afzetmarkt in Europa, zijn zij de volgende generatie Nederlandse ‘schaatskampioenen’ onder de bedrijven.