De oorlog weer zwart-wit willen zien is perverse nostalgie

"De grenzeloze generatie zoekt helderheid en ernst, in contrast met een generatie eerder, die hield van grijstinten, en van de ironie. "
"De grenzeloze generatie zoekt helderheid en ernst, in contrast met een generatie eerder, die hield van grijstinten, en van de ironie. " Illustratie: Merlijn Draisma

Kleinkinderen met tatoeages van het kampnummer van hun grootouders, verbod op herdenking van Duitsers. De generatie Super Soaker, die alleen waterpistolen in handen heeft gehad, wil de oorlog weer zwart-wit zien, schrijft Arjen van Veelen.

Stenguns in de blubber

Op de bodem van de vijver bij de Dubbeldamse begraafplaats te Dordrecht ligt de oude stengun van mijn opa te roesten. Die pistoolmitrailleur lag ooit bij mijn opa op zolder. Mijn vader vond als kind eens een jamblik vol patronen voor het wapen, maar toen hij er naar vroeg, zei mijn opa iets als: “Dat gaat je niets aan.”

Later, na de dood van opa en oma, belandde de mitrailleur bij een aangetrouwde oom in Dordrecht. Hij zou het wapen eens hebben uitgeprobeerd op zijn eigen erf. Die oom scheidde later van mijn tante, was hier nog even vrachtwagenchauffeur, en woont nu waarschijnlijk op de Filippijnen.

Laatst vroeg ik mijn tante of zij misschien wist waar de stengun was. Niet bij haar, in elk geval; haar ex-man beweerde dat hij het ding in de vijver had gegooid.

Ik heb nog niet gedregd om het verhaal te verifiëren. Gaat mij het aan?

Ik ben niet geïnteresseerd in militaria, wel in mijzelf. En daarover kan het wapen iets vertellen. Stel nou dat mijn opa een held was, een man met ballen – dat zou ook op mij afstralen. Of ik zou op z’n minst kunnen leren van zijn keuzes.

Maar ik weet niet hoe hij aan dat ding kwam, of hij er mee heeft geschoten – laat staan op wie. Over de oorlog was hij klassiek zwijgzaam. De generatie die alles meemaakte, zweeg; de generatie die niets meemaakte, is praatgraag. Andersom was handiger geweest.

Nu ik toch aan het generaliseren ben, laat ik een etiketje plakken op mijn generatie. Noem het generatie Super Soaker, het cohort van ver na de oorlog, zelfs na de dienstplicht, dat nooit een wapen in handen had, behalve een waterpistool (uitgezonderd beroepsmilitairen). Een generatie voor wie het leven één groot watergevecht leek.

Ik geef het voor beter, maar we hebben een plaatje.

Maandag was de documentaire Elke dag 4 mei op televisie, van Natascha van Weezel (27), een kleinkind van vier Holocaust-overlevenden. Natascha groeide op als prinsesje, vertelt ze. Maar ze denkt elke dag aan de doden. In het openingsshot zien we haar dansen. “Ik ben Natascha, ik ben 27 jaar en ik houd van uitgaan, net als de meeste mensen van mijn leeftijd. Maar ik voel me anders en ik denk dat dat komt door de geschiedenis van mijn familie.”

In de eerste 60 seconden zegt ze vijf keer ‘ik’. (Net als ikzelf, trouwens, in de eerste paar paragrafen van dit stuk – typisch generatie Super Soaker.) Halverwege de film toont ze een foto van toen ze anorexia had. Een uitgemergeld meisje. Moedig, om die beelden te tonen, omdat het gemakkelijk te bespotten is.

De generatie ‘3G’

Voor die derde generatie Holocaust-overlevenden, bestaat een naam: generatie ‘3G’. Het leed van vroeger relativeert hun eigen ongemak niet, maar vergroot het eerder uit. Zoals een jongen die in Israël een tatoeage wil laten zetten met het kampnummer van zijn oma. Hij vertelt dat deze tatoeage een ‘transformatie’ voor hem zou betekenen, “getting rid of this whole Holocaust trauma”.

Soms lijkt het een parodie van Jiskefet, maar het is ernst.

Zijn dit kleinkinderen die zich familiegeschiedenis toe-eigenen, bij gebrek aan eigen identiteit? Zijn dit Holocaust-selfies? Walgelijk? Nee, dat is te snel geoordeeld.

Er is een reden dat die spiegelstarende generatie zo geobsedeerd is door de oorlog van hun grootouders – of beter gezegd, in wat die oorlog zegt over henzelf.

Kamptatoeages: mensen werden nummer, verloren hun identiteit; veel overlevenden schaamden zich later voor hun tatoeages, droegen ook ´s zomers lange mouwen. De jongeren willen juist een tatoeage, om geen nummer meer te zijn, om identiteit te krijgen.

Vorige week viel er een envelop bij me in de bus met oorlogsherinneringen van mijn opa. Vijf volgetypte velletjes, op verzoek geschreven in 1985, veertig jaar na dato. Van mobilisatie tot bevrijding. Een velletje per oorlogsjaar. Dat oogt summier. Bij mij leidt de aanschaf van een pizza al tot een epistel. “Het zal tegenvallen”, begint hij. “Geen heldendaden.”

En het valt inderdaad tegen. Kort, zakelijk. Eerst over hoe hij gelegerd is aan de Grebbelinie, en beschoten wordt, gericht artillerievuur op de stellingen. “Er waren jongens die het in hun broek deden – geen schande, de vuurdoop is geen lolletje.”

Dan, de bezettingstijd. In een paar regels, iets over illegale activiteiten in de marge. Over het blad Trouw, en de L.O., de Landelijke Onderduik. Dat hij thuis een zender met accu verborg voor radiocontact met Engeland. Niets over gevoelens, uiteraard (enkel de zin “Mijn hart klopte in mijn keel”, na een hachelijke ontmoeting met S.D.’ers).

C’est tout, en niets over een stengun.

En dan gaat een groot deel van het verslag op aan verhalen over een kerkscheuring in 1944, een conflict over de betekenis van de doop, in hartje oorlog. First things first. Slotzinnetje: “Ik heb mijn plicht moeten doen.”

Geen valse bescheidenheid, denk ik, eerder een uiting van een antieke, morele vanzelfsprekendheid. Niks heldendom, het hoorde zo, je deed het gewoon, je had geen keus. God en vaderland. Geen spoor van ironie of dubio. En een helderheid die nu ontbreekt.

Terug naar de pure doden

Deze week schreef de filosoof Rik Peels een pamflet over de Dodenherdenking. Hij vindt dat die is verwaterd, omdat we alle doden herdenken, inclusief Duitsers, homo’s, gehandicapten, Korea-veteranen. We moeten terug naar de pure doden: alleen de Joden en de oorlogsmilitairen en verzetsstrijders. Een grens trekken. Geen ruimte meer voor grijstinten. Prettig helder.

Zijn betoog past in het herdenkingspurisme van de laatste jaren. Zie de juridische acties van advocaat Loonstein, die met succes procedures aanspant tegen gemeentes die Duitsers willen herdenken (met als onbedoeld gevolg dat we elk jaar over die Duitsers horen). Dat purisme is begrijpelijk; na de oorlog werden de Joden niet eens herdacht. Maar de timing ervan is frappant. Waarom juist nu, bijna zeventig jaar later, weer streng worden? Je zou een omgekeerd tendens verwachten; richting verzoening.

Quod non. Zelfs het herdenken van evident ‘goede’ Duitsers stuit nu op verzet, zie de ophef in 2012 in Goirle over een Duitse soldaat die in 1944 stierf nadat hij twee kinderen het leven had gered.

“Het is nog te vroeg”, klinkt er dan, of “Het ligt nog te gevoelig”. Maar nee, het ligt juist steeds gevoeliger. Laatst ontstond er zelfs ophef over het woordje ‘bezet’ op de stoepen voor de vrijmarkt van Koningsdag. Houdt het dan nooit op? Nee, het begint net.

Filosoof Rik Peels is van 1983. Generatie Super Soaker. Juist hij wil alles weer zwart-wit. Zijn betoog – ‘zet de echte slachtoffers centraal’ – lijkt het omgekeerde van de film van Natascha van Weezel, die de camera juist wegdraait, naar zichzelf. Maar beide zijn een verschijnsel van hetzelfde. De grenzeloze generatie zoekt helderheid en ernst, in contrast met een generatie eerder, die hield van grijstinten, en van de ironie. Jiskefet. Gummbah.

In een interview met in deze krant zei Van Weezel: “Wij zijn ons er heel erg van bewust dat wij de laatste generatie zijn die onze grootouders kennen. […] En wij voelen ons verantwoordelijk om dat door te vertellen.”

Rik Peels schreef: als de Dodenherdenking aan betekenis verliest, beschadigen we “onbewust ook ons eigen morele kompas”.

De ernst is terug. Zo ironieloos als de getypte velletjes van mijn opa. Hoe verder die oorlog achter de horizon zakt, hoe meer die gaat fungeren als Grote Scheids van Goed en Kwaad. Geen internetdiscussie zonder verwijzing naar die Grote Scheids. Zelfs de Godwin mag weer. Bij gebrek aan beter.

Perverse nostalgie

Moreel kompas, ik vind het maar een eng woord. Alle ellende begint bij morele kompassen. Terugverlangen naar de morele helderheid van de oorlog is perverse nostalgie. Die Stengun laat ik rusten in de blubber, als symbool voor ernstiger tijden.

Maar ik snap de behoefte. Het andere uiterste van het schuifpaneel is het Nationaal Comité 4 en 5 mei, dat al jaren vrijheid probeert te vieren door met een helikopter ergens rappers te droppen. Gers Pardoel als kompas? Nee, dank u, ik heb al een feestje.

Vrijheid vier je niet met nog meer vrijheid, maar met grenzen. Daarom is dat kunstwerk van Joep van Lieshout – een kop die ieders sms’jes uitspreekt, ongecensureerd jawel! – eerder oubollig dan schokkend.

Het Nationaal Comité, ten einde raad, bracht dit jaar ook het computerspelletje ‘Duifkopter‘ uit. “Wat doe je als al je vogelvriendjes worden opgesloten en jij nog als enige overblijft om hen te bevrijden?” Red je vriendjes van de “chagrijnige buurman die niet van vogels houdt”.

Vrijheid is Flappy Bird spelen. Hitler als chagrijnige buurman. Door dit soort kul krijg ik zin om een pistoolmitrailleur op te dreggen. Dat is het gevaar van slappe hap: het doet verlangen naar ijzeren helderheid.

Arjen van Veelen is columnist van nrc.next en NRC Handelsblad.