Touwtrekken om Anne Frank

Foto EPA/Anne Frank Fonds Basel

Zijn er vredelievender woorden denkbaar dan deze? „Bezinning op de gevaren van antisemitisme, racisme en discriminatie en het belang van vrijheid, gelijke rechten en democratie.”

En: „Het verbeteren van begrip tussen religies, het dienen van vrede tussen de mensen en het bevorderen van internationale contacten tussen jongeren.”

Het eerste citaat komt van de Anne Frank Stichting, opgericht in Amsterdam, 1957. Het tweede is van Otto Frank en dient als motto voor het Anne Frank Fonds, opgericht in Basel, 1963.

De stichting beheert in Amsterdam het Achterhuis waar de familie Frank in de Tweede Wereldoorlog ondergedoken zat en vanwaar ze werden weggevoerd naar de vernietigingskampen. Het fonds in Basel is de universele erfgenaam van Annes vader, de in 1980 overleden Otto Frank, de enige van het gezin die de oorlog overleefde. Het fonds vertegenwoordigt de familie en bezit de rechten op het dagboek van Anne Frank.

Beide organisaties werken zonder winstoogmerk – het fonds doet aan liefdadigheid, de stichting aan educatie. Beide organisaties zeggen te spreken in de geest van Otto Frank. Beide organisaties houden de herinnering aan diens in Bergen-Belsen omgekomen dochter Anne wereldwijd levend. En beide organisaties leven op voet van oorlog.

De financiële steun van Basel aan Amsterdam is stopgezet. De rechter is eraan te pas gekomen om geschillen te beslechten, onder meer over eigendom en beheer van archiefstukken.

Wie probeert te zien waar de oorzaak ligt, waar het is begonnen, wie waarvoor precies verantwoordelijk is, trekt aan een waterplant: overal wortels. Opmerkingen over en weer worden vurig betwist en ook passages in dit artikel worden beurtelings weersproken door fonds en stichting. Hun idealisme laat weinig ruimte voor twijfel.

Misschien ligt de kern van alle problemen wel bij de ambivalente houding van Otto Frank tegenover het museum dat van zijn onderduikadres is gemaakt. Toen hij, als enige van het gezin, in juni 1945 terugkeerde in Amsterdam, verkeerde het Achterhuis nog in de staat van 4 augustus 1944 – de dag waarop Duitse SS’ers en Nederlandse politiemannen de onderduikers hadden ontdekt. Otto Frank kreeg van Miep Gies, een van de helpers tijdens de onderduikperiode, de dagboeken terug die zijn dochter Anne had geschreven.

Otto Frank liet ze publiceren en zette daarmee – onbedoeld – een wereldwijde belangstelling in gang die bijna zeventig jaar later zou resulteren in jaarlijks één miljoen bezoekers aan het Anne Frank Huis in Amsterdam, miljoenen verkochte exemplaren van het Dagboek (hoeveel precies, kan het Anne Frank Fonds niet zeggen) en een nieuw toneelstuk, Anne, dat komende donderdag zijn wereldpremière beleeft in een speciaal daarvoor gebouwd theater in Amsterdam.

Betekenis

Otto Frank worstelde blijkens zijn eigen opmerkingen in brieven en publicaties met de betekenis van het Achterhuis – de betekenis die de plek moest hebben in zijn ogen, de betekenis die het stichtingsbestuur er door de jaren heen aan gaf en de betekenis die de bezoekers eraan geven.

Het fonds wijst op het voorwoord dat Frank schreef bij een editie van het dagboek in de jaren zeventig: „Ich will weder ein Museum noch ein Wallfahrtsort”. Geen museum, geen pelgrimsoord. Hij schreef in 1978 aan een vriendin dat hij niet de indruk wilde wekken „dat ik mijn dochter, van alle Holocaust slachtoffers, een soort gedenkteken wilde geven”. Frank vond het goed dat publiek het Achterhuis bezocht, niet om „vruchteloos” achterom te kijken naar het verleden, maar als een plaats waar de jeugd van de wereld zich kon bezinnen op een betere toekomst.

Yves Kugelmann, bestuurslid van het fonds sinds 2008, wijst ook op de Joodse traditie waarin doden niet herdacht worden met mausolea of andere herdenkingsmonumenten, maar veeleer in boeken of met opvoeringen.

De stichting haalt op haar beurt een publicatie uit 1968 aan waarin Otto Frank schrijft: „Het laatste jaar bezochten 116.000 mensen uit de hele wereld het Anne Frank Huis. Voor sommigen is het een soort bedevaart om de kamers te zien waarin Anne haar dagboek heeft geschreven. Velen realiseren zich nu pas echt dat alles wat ze gelezen hadden, ook werkelijk gebeurd was.”

Feit is dat Otto Frank jarenlang deel uitmaakte van het bestuur van de stichting. En dat hij tot aan zijn dood in 1980 lid bleef van het curatorium. Hij zat ook zijn leven lang in het bestuur van het fonds.

De zuinig levende Frank bleef altijd gevoelig voor elke suggestie dat geld zou worden verdiend aan zijn in concentratiekamp Bergen-Belsen gestorven dochter. In 1960, zo staat in het boek Het Anne Frank Huis. Een biografie, vroeg hij aan een notaris of hij de stichting het gebruiksrecht van de naam Anne Frank kon ontnemen, toen die met subsidie een studentenhuis wilde gaan beheren.

Het conflict werd uiteindelijk opgelost. Maar de achterdocht van Otto Frank dat de Amsterdammers er met de nalatenschap van zijn dochter vandoor konden gaan, is bij het fonds levend gebleven. En de houding van de stichting heeft niet altijd geholpen dat wantrouwen weg te nemen.

Op 25 juni 2007 bezoekt Buddy Elias, neef van Anne Frank en voorzitter van het bestuur van het fonds, de stichting in Amsterdam. Hij heeft jaren eerder nieuw archiefmateriaal gevonden op zolder in het oude huis van Otto Frank te Basel. Die dag komt hij in eigen persoon een symbolisch deel in leen geven bij het Anne Frank Huis.

„Het is duidelijk dat we ze hier willen houden”, zegt Elias – voor het oog van de toegestroomde camera’s, want álles wat betrekking heeft op Anne Frank is nieuws, van de knikkers waar ze misschien ooit mee gespeeld heeft tot aan de boekenkast in het Achterhuis die binnenkort achter glas wordt gezet om hem te beschermen tegen de vingers van bezoekers.

Bruikleenovereenkomst

De stichting zegt, bij monde van de huidige directeur Ronald Leopold: „Het idee – van de stichting én van het fonds – was dat alle archieven die betrekking hadden op het leven van Anne Frank bijeen zou worden gebracht op één plek, in Amsterdam.”

Dat laatste blijft in elk geval niet zo. Uit notulen van de zogeheten Beirat, een adviesorgaan waarin vertegenwoordigers van fonds en stichting overleggen over de archiefstukken, blijkt dat het fonds het afsluiten van een bruikleenovereenkomst steeds weer uitstelt.

Op 23 november 2009 zegt fondsbestuurslid Christoph Knoch blijkens die notulen: „Het is moeilijk de AFS [de stichting] te vertrouwen.” Hij reageert op het feit dat de stichting bezig is een eigen editie van het dagboek voor te bereiden voor het moment dat de auteursrechten verlopen. Dat beschouwt het fonds, eigenaar van die rechten, als een klap in het gezicht.

Knoch voegt daar nu telefonisch aan toe dat er bij hem en de overige bestuursleden iets is geknakt op het moment van Elias’ bezoek, toen de stichting in een persbericht schreef dat hij de archiefstukken aan het Anne Frank Huis „gaf”. Het was de bedoeling dat het archief een gemeenschappelijk project zou zijn, zegt Knoch. „Maar Amsterdam nám het gewoon.” Hij stuurde de dag erna een boze mail aan de toenmalige directie. „Ihr habt uns betrogen!

Donderslag

De stichting heeft het niet door of wil het niet weten. In elk geval reageert de directie als door een adder gebeten zodra op 30 november 2010 een brief op de mat valt. Het fonds wil zijn archiefstukken terug. Binnen een maand. „Een donderslag bij heldere hemel”, zegt toenmalig directeur Hans Westra. Toch heeft Westra zelf in de jaren ervoor hierover intensief met Basel overlegd, waarbij het fonds steeds bleef aarzelen.

De stichting weigert de stukken onmiddellijk terug te geven. Als het fonds een poging doet om tot een oplossing te komen zonder de rechter erbij te halen, stuit het op die weigering.

Op 15 februari 2011 reist de dan zojuist aangetreden directeur Ronald Leopold naar Basel om de zaak te bespreken, waar hij onder andere de bestuursleden Yves Kugelmann, Christoph Knoch en Buddy Elias ontmoet. Als enig overlevend familielid dringt die aan op teruggave van de geleende stukken. „Het was zeer emotioneel”, schrijft Elias hierover per mail aan deze krant. „Ik vroeg hem of hij mij ten minste mijn persoonlijke familiedocumenten wilde teruggeven. Ik kon niet begrijpen hoe de wereld ervoor stond als een privéorganisatie die de naam van mijn nicht draagt, mijn en onze bezittingen niet wilde teruggeven en inbreuk maakte op mijn rechten.”

Leopold noemt deze weergave van die ontmoeting onjuist, maar wil er verder niet op reageren. „Als Ronald [Leopold] toen langer bij de stichting had gezeten, had hij die dag waarschijnlijk anders gereageerd”, zegt Christoph Knoch. Hij onderstreept dat hij persoonlijk een goede verhouding heeft met Leopold.

De rechter oordeelt in juni 2013 dat de stichting de stukken voor 1 januari van dit jaar moet teruggeven aan het Fonds.

Op de vraag waarom de stichting zoveel belang hecht aan het bezit van de originele stukken en geen genoegen kon nemen met de scans, zegt Ronald Leopold: „Dit huis gaat over authenticiteit. Het publiek ziet hier hoe het was. Dit is geen nagebouwd decor, dit is het feitelijke Achterhuis. Je wilt hier dus ook authentieke documenten zien, geen facsimiles. Het gaat om de historische sensatie, zoals historicus Huizinga het noemde. Het gaat om documenten die hier, in deze stad, geschreven zijn.”

Vijftig jaar

Yves Kugelmann, gevraagd waarom het Anne Frank Huis niet de plek kon zijn waar álle Frank-archieven zouden worden ondergebracht, verwijst naar een interview dat Otto Frank aan de Amerikaanse journalist Arthur Unger gaf: „Wie zal zeggen hoe de Anne Frank Stichting erbij staat over vijftig jaar?” Daarom vermaakte Frank het dagboek niet aan de stichting, maar aan het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, en daarmee aan de Staat der Nederlanden, Kugelmann: „De stichting is een private instelling. Wij wilden dat de archieven in een werkelijk publieke instelling zouden komen.”

Het fonds heeft besloten alle archieven over te brengen naar Frankfurt, waar in 2017 een Familie Frank Centrum komt. De Franks, net als de Rothschilds ooit een grote Joodse familie in Frankfurt, laten al zo’n 400 jaar geschriften na. Het dagboek zal in zijn vitrine in het Anne Frank Huis blijven.

In 2015 is het zeventig jaar geleden dat Anne Frank stierf en dan komen in verschillende landen de rechten op de teksten die zij in haar dagboek schreef vrij – een belangrijke inkomstenbron voor het fonds. Overigens is de situatie genuanceerd. Zo is in de Verenigde Staten het auteursrecht van Anne Frank, en dus van het fonds, tot 2047 beschermd.

Heeft het fonds met het oog op het verlopen van die rechten het nieuwe toneelstuk laten schrijven? Bestuurslid Yves Kugelmann zegt van niet. „Wij hebben Leon de Winter en Jessica Durlacher om het stuk gevraagd om de 70ste sterfdag van Anne en haar zus Margot te herdenken.”

Holocaust Tamagotchi

Kugelmann snapt de opstelling van de stichting over de archiefstukken nog steeds niet: „Waarom moeten ze in Amsterdam alles hebben wat betrekking heeft op Anne Frank? Ik zou zeggen: ze moeten daar alles hebben wat betrekking heeft op de geschiedenis van het onderduiken.”

De presentatie van Anne Frank in het Amsterdamse museum kwalificeert hij als „Holocaust tamagotchi”, naar het Japanse elektronische huisdiertje. „Ze hebben van een Joods meisje een madonna gemaakt, een universele icoon.”

Museumdirecteur Ronald Leopold zegt dat ook hij worstelt met de verhouding tussen Anne, die nu eenmaal veel aandacht trekt, en de geschiedenis waar zij voor staat. De stichting heeft in het verleden de naam ‘Anne Frank’ als merk gedeponeerd. „Om plat commercieel gebruik te voorkomen.”

Plat commercieel: in Japan is geprobeerd een spijkerbroek onder haar naam op de markt te brengen. In Amerika dook Anne Frank twee jaar geleden op in een horrorserie.

Maar ook de setting van het nieuwe toneelstuk (arrangementen met „drankjes en bijzondere bites”) vindt Leopold te veel „ondernemen uitademen”, zei hij onlangs in Nieuwsuur. „Dat strookt niet met deze geschiedenis.”

Het fonds probeerde in 2011 ook enkele merken te deponeren: ‘het Achterhuis’ en ‘Dagboek van Anne Frank’. „Wij wilden de nalatenschap van Otto Frank beschermen”, zegt Kugelmann. Hij meent dat het fonds als universele erfgenaam het morele recht heeft op de naam Frank. Maar het merkrechtbureau oordeelde anders en schrapte vorig jaar de registraties van het fonds.

„Het is pijnlijk en absurd”, zegt Leopold. „Anne Frank ís geen merk. Ik ben dat ‘merkengebouw’ van ons aan het heroverwegen. Is dat de enige mogelijkheid om commercie tegen te gaan? Voor mij is zo’n registratie strijdig met de gedachte dat je zo’n geschiedverhaal moet delen. Dat is ook de essentie van dit huis.”