Amateurwielrenners, doe eens wat minder asociaal!

Amateurrenners zijn een bedreiging op de weg. Ze moeten rekening houden met andere weggebruikers, betoogt Frank Heinen (zelf wielerliefhebber).

Wielrenners in actie tijdens de Omloop Het Nieuwsblad. Foto ANP / Bas Czerwinski

Vorige week las ik een opiniestuk van Pascal Cuijpers in de Volkskrant. Het onderwerp was wielrenners op de openbare weg en de conclusie luidde als volgt: ‘veiligheid staat altijd voorop, voor elke verkeersdeelnemer’.

Op het stuk, dat ook op de website van De Telegraaf opdook, kwamen de nodige kritische reacties: de schrijver zou “meedoen met de trend om wielrenners te bashen”, “een karikatuur maken van wielrenners” en de zaken ongenuanceerd weergeven.

Sprinten, verkeer of geen verkeer

Op het moment dat ik Cuijpers’ stuk las, was ik zelf net verwikkeld in een worsteling met het onderwerp. Wielrennen is in. Het is een lifestyle geworden, met bijbehorende tijdschriften, instructieboeken, websites, avondjes, koffie- en biermerken en design. Geen goed doel overleeft nog zonder een prestatietocht op een Touralp. Wie fietst, heeft een goede smaak, een gezond lichaam en een gulle hand van geven.

Wie niet fietst, is gek.

Ik ben dol op wielrennen, doe weinig liever dan ernaar kijken op televisie, ik houd van de verhalende kracht van de sport en ik schrijf er veel over. En ook in mijn woonkamer staat een oude racefiets (van het eeuwenoude merk Benotto), waarop ik bij mooi weer tochtjes maak. In m’n eentje, omdat ik me kwetsbaar voel op de dunne bandjes en omdat ik weet hoe gevoelig ik ben voor competitie. Ook op het armzalige niveau waarop ik fiets. En ook op de openbare weg. Je kunt duizend keer tegen jezelf zeggen dat je je niet zo moet aanstellen: als je met z’n vieren op pad bent en iemand ontwaart in de verte een plaatsnaambordje, dan sprint je, verkeer of geen verkeer.

“Op zonnige zondagen is het op dat fietspad afgeladen vol met zich op iedere snelheid suf recreërende Nederlanders”

Een van de grote schoonheden van de koers is dat het in de echte wereld plaatsvindt. Op wegen waar je zelf alle andere dagen van het jaar terechtkunt en je krachten virtueel kunt meten met je helden. Probleem is dat de toeristische tak van de koers, die bloeit als nooit tevoren, ook z’n heil moet zoeken op de openbare weg. En niemand kan ontkennen dat dat zonder enig gevaar is.

Uw plezier is anderen een last

Zelf wandel ik af en toe in het weekend met een rolstoelgebonden familielid door een bos ergens in het midden van Nederland. Een stoep is er niet, de bospaden zijn te rul en dus zoeken wij onze toevlucht tot het fietspad. Daar lopen we aan de linkerkant, zoals de verkeersregels voorschrijven. Op zonnige zondagen is het op dat fietspad afgeladen vol met zich op iedere snelheid suf recreërende Nederlanders: ouden van dagen die zich uitsluitend naast elkaar voortbewegen, jonge kinderen die op hun op de groei gekochte mountainbikes vervaarlijk over het pad slingeren en bellende en appende mensen die met een hand bij hun fiets, maar met de rest van hun wezen bij hun communicatie verwijlen.

En dan zijn daar de wielrenners.

In de reacties op het stuk van Pascal Cuijpers bleek dat toerfietsers en wielrenners zich (net als iedereen) graag serieus genomen voelen. Laat ik daarom serieus zijn: je kunt niet koersen op de openbare weg. Voor wie langzaam fietst of wandelt, is het schrikken om plotseling gepasseerd te worden door een geluidloze figuur op een fiets. Of, wanneer je zoals mijn familielid in een rolstoel zit en dus geen kant op kunt, kan het nogal bedreigend lijken als een clubje fietsers je tegemoet stormt, om pas op het allerlaatste moment een zwieper opzij te maken, zodat zo min mogelijk van de ideale lijn wordt afgeweken. Laat mij nog serieuzer zijn: uw ideale lijn is niet die van mijn familielid. Uw plezier is hem tot last, en brengt hem mogelijk zelfs in gevaar – want wie zegt mij dat vermoeide renner vier of vijf in de groep ook nog lucide genoeg is om op tijd opzij te sturen?

“Ik begrijp ook dat er met een toename van het aantal wielrenners minder ruimte overblijft voor de dikkebandenfietsers en wandelaars”

Ooit werd ik als achtjarige samen met mijn buurjongen bij de overbuurman geroepen. Wij hadden drie jaar lang tegen de blinde muur aan de zijkant van zijn garage gevoetbald, maar dat moest nu afgelopen zijn. Wij schoten te hard, ons spel was sport geworden en sport, aldus de overbuurman, hoorde niet thuis op straat, maar op het voetbalveld. Later sloten zich andere buren bij hem aan, zodat we verbannen werden van ons pleintje en voortaan ons heil moesten zoeken op het verderop gelegen veldje.

Wij waren destijds onze buren tot last. En net als wielrenners nu, reageerden ook wij verontwaardigd: de straat was van iedereen, waar moesten we dan terecht en wij waren toch niet de enigen die overlast veroorzaakten, enzovoort.

Misschien ook ik, toch, soms?

Nu, twintig jaar later, ben ik zowel racefietser als andere weggebruiker. Ik weet welk plezier wielrennen je kan schenken, ik herken de wil om jezelf te verbeteren en om de ander te vlug af te zijn of gewoon de lol van het genieten van het landschap en bijpraten, maar ik begrijp ook dat er met een toename van het aantal wielrenners minder ruimte overblijft voor de dikkebandenfietsers en wandelaars.

“Hoe meer fietsers, hoe socialer het gedrag dat van elke fietser wordt gevraagd”

De kern van de negatieve reacties op het artikel van Cuijpers was: wij niet, waar heeft die man het over, laat ons met rust. Hopelijk wordt die reflex gevolgd door reflectie: misschien ook ik, toch, soms, af en toe? Niet alleen Cuijpers maar ook zijn critici verwijzen naar het naleven van de verkeersregels. Verkeersregels vormen geen leidraad voor gedrag, ze markeren de uiterste grens. Wat niet verboden is, is niet automatisch goed voor iedereen. Het gaat om wat je kunt bijdragen aan je eigen plezier, maar ook aan dat van anderen.

Veiligheid is het belangrijkst, maar minstens even belangrijk is hetgeen nergens ligt vastgelegd: het voor iedereen op het fietspad prettig trachten te maken. Hoe meer fietsers, hoe socialer het gedrag dat van elke fietser wordt gevraagd. Daarom pleit ik voor een beetje wiellevendheid.

Frank Heinen schrijft voor verschillende kranten en tijdschriften over sport en boeken. In mei verschijnt zijn boek Uit koers, een bundel wielerverhalen. Dit opiniestuk van zijn hand verscheen afgelopen eerder in nrc.next.

    • Frank Heinen