Rolmodel Oblomov

Van alle beroemde personages uit de wereldliteratuur heb ik me altijd het minst kunnen verplaatsen in Oblomov. Het eeuwige twijfelen van Hamlet, het naïeve idealisme van Don Quichot, de nietsontziende ambitie van doctor Faust – ik kon me er van alles bij voorstellen; maar de verpletterende lethargie van de titelheld van Gontsjarovs Grote Russische Roman (1859) was ver van mijn bed. Hoewel ongelovig, ben ik een calvinist in hart en nieren: ledigheid is des duivels oorkussen, slaap is een noodzakelijk kwaad, alles wat je doet moet ergens nuttig voor zijn; neem altijd iets te lezen mee voor het geval je moet wachten, kijk nooit zappend naar de televisie, slaap niet uit tijdens je vakantie, ga niet op terrasjes zitten maar bezoek een museum, plan je dag van minuut tot minuut.

Vergelijk dat met het leven van Ilja Iljitsj Oblomov, de Russische edelman die alleen met de grootst mogelijke moeite tot actie te bewegen is, en die gedurende eenderde van Gontsjarovs roman in bed blijft liggen, verzorgd door zijn mopperende, viezige, luie en onvergetelijke bediende Zachar. Op aandringen van een energieke vriend maakt hij plannen om orde op zaken te stellen op zijn landgoed, ver van zijn woonplaats Sint Petersburg, en maakt hij de mooie Olga het hof. Tevergeefs, zoals alles in zijn leven tevergeefs is. Het deert hem nauwelijks: mooier dan zijn beschermde jeugdjaren op het platteland, waaraan hij met superieure nostalgie terugdenkt, had zijn leven toch nooit kunnen worden.

Ongelukkig is Oblomov bepaald niet; vooral omdat hij zich niet al te druk maakt: ‘Alle bezorgdheid loste zich ten slotte op in een zucht, verdween in apathie of sluimer’. Hij heeft ook oprecht medelijden met vrienden en kennissen die het druk-druk-druk hebben; bijvoorbeeld met Volkov, die in hoofdstuk twee zijn nieuwe rijkostuum komt laten zien en afscheid neemt met de woorden „ik heb nog honderd dingen te doen”. Tot verbijstering van Oblomov: ‘Honderd dingen op één dag, de arme kerel! En dat heet leven! Wat blijft er zo van de mens over? Waartoe verspilt en versnippert hij zijn krachten?’ Waarna Oblomov zich weer op zijn rug legt, ‘met het plezierige gevoel dat hij er niet van die ijdele wensen en gedachten op nahield en niet langs ’s Heren wegen zwierf, maar dat hij hier lag en zijn menselijke waardigheid en kalmte wist te bewaren’ (vertaling Wils Huisman).

In de ogen van Oblomov heb ik mijn waardigheid en kalmte de afgelopen maanden aardig bijgespijkerd. De ALS heeft binnen een half jaar mijn honderddingenleven tot een harde kern teruggebracht; niet omdat de spieren in mijn benen en armen het hebben begeven, zoals bij veel ALS-patiënten gebeurt, maar omdat mijn middenrif niet meer doet wat het moet doen: adem naar binnen halen en lucht met afvalstoffen (kooldioxide) weer naar buiten werken. Mijn uithoudingsvermogen is weggesmolten, samen met het spierweefsel dat ik in jaren van marathonlopen had aangekweekt. Maakte ik vroeger werkdagen van twaalf uur en weken van zestig, nu mag ik blij zijn met een paar uur productiviteit per etmaal. Kon ik na een dertigkilometerloop en een paar uur lezen nog makkelijk naar de film en daarna uit eten, nu is het óf-óf, en ben ik na een kilometer wandelen buiten adem. Sprak ik op een willekeurige dag tientallen mensen, voor mijn werk en privé, nu zit ik met één uur spaarzame conversatie aan mijn taks – waarbij zij opgemerkt dat ik af en toe zelfs voor mijn vrouw en kinderen nauwelijks verstaanbaar ben.

Keuzes maken, daar draait het om. Ga ik vandaag een stukje schrijven of een boek lezen? Beantwoord ik mijn mails of probeer ik de achterstand in het bijwerken van de fotoboeken in te lopen? Maak ik een wandelingetje of ga ik naar de film? Ga ik één of twee keer overdag een uur aan de beademing? Of plof ik neer op de houten ligstoel in de tuin en doe ik zo min mogelijk, in de hoop de benauwdheid en de vermoeidheid tot een minimum te beperken?

Dat laatste wordt mij dit voorjaar wel erg makkelijk gemaakt. Hoeveel dagen zijn er niet geweest dat je buiten onder een parasol kon zitten, te midden van de uitkomende flora en bloeiende fruitbomen? Een beetje lezen, kijken naar de vlinders en de bijen, luisteren naar tientallen verschillende vogels (zonder moeite te doen om er een te herkennen), de geur opsnuiven van de choisya en de bloeiende rozemarijn, een briesje over je gezicht voelen gaan. Het hoogtepunt was Eerste Paasdag, toen ik me voelde als de hedendaagse Oblomov die in het Kinks-liedje Sunny Afternoon gelaten alle ellende in zijn leven van zich af laat glijden terwijl hij lekker luiert op een zonnige namiddag.

Ik moest er vijftig voor worden, maar eindelijk snap ik ook wat Japi, de uitvreter uit Nescio’s gelijknamige novelle, bezielt als hij zegt: ‘Ik ben niks en ik doe niks. Eigenlijk doe ik nog veel te veel. Ik ben bezig te versterven.’ Onaandoenlijk worden voor het getting and spending om je heen, dat is het streven. Rustig onder de pereboom het leven overdenken. Maar niet te diep, want alle bezorgdheid moet zich kunnen oplossen in apathie of sluimer. Oblomov zou trots op me zijn.