Op de koffie bij Benno L.

Reportage

Hoe reageer je als een veroordeelde pedofiel je uitnodigt voor koffie? Doen of niet? Theoloog en vader Rikko Voorberg (33) stond voor een dilemma.

illustratie Tjarko van de Pol

Mijn telefoon gaat. Het is zaterdagavond, we hebben de verjaardag van mijn zoontje gevierd. Hij is drie geworden en bedolven onder liefde en cadeaus. „Laat dat cadeautje nog maar even liggen, mama”, zegt hij ergens tussendoor, „eerst even spelen.” Het is een talig mannetje, en hij is gelukkig. We staan nog in de keuken met een paar vrienden af te wassen, en ik ben moe.

Onbekend nummer. Ik heb er even geen zin in, en druk het weg. Een tweede keer. Hetzelfde nummer. Dan maar opnemen. Een mannenstem.

„Hallo, met Frans.”

„Met Rikko”, antwoord ik.

„Ben jij degene die op Facebook de pagina ‘Benno L Welkom in onze straat’ heeft gemaakt?”

Er gaan allerlei alarmbellen af in mijn hoofd. Wie kan dit zijn, waarom zou iemand dat willen weten? Ik besluit dat maar gewoon te vragen: „Waarom wil je dat weten?”

„Nou, ik ben Benno L., en wil je bedanken.”

Ik haal de telefoon van mijn oor en staar naar het schermpje, ik voel argwaan – maar het zou ook zomaar echt kunnen zijn. Ik schraap mijn keel, druk de telefoon weer tegen mijn oor en zeg iets als ‘Oh, oké’.

De hel en de hemel

Het is een vreemde dag, de dag dat ik die Facebookpagina begin. De zon schijnt en ik loop over de Ten Katemarkt in Amsterdam, mijn fiets aan de hand. Een grijzende man van in de vijftig staat rood aangelopen te schreeuwen: „Vieze kankerbuitenlander, tief op naar je eigen land. Je hoort hier niet. Ga weg!” Met een snik in zijn stem, struikelend over zijn woorden, vertelt hij dat hij dagelijks getreiterd wordt door ‘dat tuig’. „Dan heb ik toch wel eens recht om wat terug te zeggen?” Ik kijk om en zie de uitgescholden man ver weg staan, een vriend van hem staat dichterbij en probeert mij te winnen voor zijn gelijk. „Hij zegt dat we stelen, de teringlijer.”

Ik pak mijn fiets, maar ik heb het stuur nog niet vast of achter mij hoor ik geschreeuw en zie ik de vijftiger een klap op zijn gezicht krijgen. Zijn bril vliegt af. Ik flikker mijn fiets tegen de vlakte en schreeuw dat nu iedereen even normaal moet gaan doen. Als het nou kinderen waren, kon je ze in hun nekvel pakken en elkaar een handje laten geven met een ‘sorry’. Ze zijn te groot. Gefrustreerd ga ik naar huis.

Een gestapelde frustratie. Want ik word ook al tijden chagrijnig van de dreiging in Oekraïne. God, wat een ellende. En dan ook nog Benno L. Boze borden op straat met schreeuwende mensen daarachter. Hautaine columns die de stupiditeit op straat veroordelen en stellen dat je ‘je bek’ moet houden als je Benno L. niet goed kan spellen. Straatjes schoonvegen, jezelf gelukkig prijzen dat je aan de goede kant staat en wie dat betwist keihard uitschelden.

Ik ben óók tegen het straatprotest. Maar er wringt iets in die stadse columns. Er wordt één vraag niet gesteld, een vraag die mij opeens met mezelf confronteert: zou hij welkom zijn in mijn straat? En aarzelend, huiverend durf ik daar, denk ik, ‘ja’ op te zeggen. Als dat eens gezegd zou worden in het openbaar? Door meer mensen?

Ik realiseer me dat ik eigenlijk een Facebookpagina zou moeten maken: ‘Benno L. welkom in onze straat’. Het komt mij opeens voor als een logische handelwijze. Als een gerechtvaardigde vraag aan mij, aan mijn vrienden en eigenlijk aan iedereen die dat boze geprotesteer niet goed vindt. Maar dan merk ik tot mijn schrik en tot nog grotere frustratie dat ik niet durf. Ik durf die pagina niet te maken. Ik heb ook een zoontje, ik heb vrienden die kinderen hebben die misbruikt zijn, ik heb wel vaker opwellingen die stupide zijn. Ik durf niet.

Ik plaats een update op mijn Facebookpagina:

Roep net een vijftiger tot de orde die scheldend een allochtone Nederlander terug naar ‘zijn eigen land’ verwijst. Als ik bijna wegloop, krijgt hij nog een klap op zijn smoel. Het is allemaal zo fucking kinderachtig. Van beide kanten. Het schoolplein in het groot. Ondertussen loopt mijn timeline vol met beelden uit Kiev en lees en zie ik Leiden schelden op Benno en columnisten die daar weer tegenin schrijven over een heksenjacht. Ik wil wel een pagina maken met: welkom Benno L in onze straat en kijken hoeveel likes die krijgt, maar ik weet nog niet of ik het durf. Man man man. ik ga nu een cappuccino maken. en daar word ik dan helemaal cynisch van. klote.

Dan volgen er reacties. Likes. Een bevriende buurman die roept dat als ik die pagina maak, dat hij hem dan liket. Anderen. En ja hoor, als mijn cappuccino op is, heb ik een pagina aangemaakt. Met trillende vingers. Het moet maar.

Daarna barsten langzaam de hel en de hemel los. Een berg aan rotzooi. En prachtige kleine berichten. Mensen die precies dit wilden zeggen. Die dit geluid wilden laten horen.

God, wat een ellende

Nu, anderhalve week later, sta ik in mijn keuken, met in mijn oor de stem met een wat Duitsachtig accent: „Ik ben Benno L.”

Ik hoor hem aan. Hij is dankbaar voor de steun, heeft de pagina gevolgd, waardeert het lef. En dan zegt hij: „Ik was welkom in mijn straat, jij bent ook van harte welkom bij mij, voor koffie ofzo.”

Ik slik, mijn hart bonst, en dan zeg ik: „Fijn. Graag.” En dat ik nog wel laat weten wanneer.

Beneden gekomen, kijkt mijn vrouw me nieuwsgierig aan. Ik vertel dat het Benno was, Benno L. Het wordt stil. Ook in de keuken blijven de handen die borden in de afwasmachine stoppen halverwege steken. „Wie?” „Hij wilde me bedanken en of ik koffie kom doen.” Verbijstering, verrassing en waardering lopen door elkaar >> >> heen op de gezichten van mijn vrouw en onze vrienden.

Een aantal weken geleden ben ik geweest. In Leiden. In de seniorenflat. Ik moest maar niet aanbellen, dan deed hij niet open. Gewoon even mobiel bellen. Voor de zekerheid.

Ik kom binnen in een huis dat heel tijdelijk is ingericht. We zitten nog niet of hij begint te vertellen. Te bedanken voor de pagina, te vertellen over zijn leven. En ik krijg een hoop shit te horen, heel persoonlijke shit. Na tien minuten zit ik met prikkende ogen en een dichte keel te kijken naar die man tegenover mij.

Als hij even stilvalt, realiseert hij zich dat hij nog geen koffie heeft gemaakt. „Koffie? Ben je daar aan toe?” „Nou!” zeg ik hartgrondig. En we lachen. Hardop. Om de dwaze situatie van ons rond de tafel en het gesprek tussen vreemden. Vreemden, wiens wegen elkaar kruisten online, zonder ook maar iets van elkaar te weten. Hij en ik.

Mijn weerzin leeft, mijn redelijkheid eveneens en in mijn hart stormt het. Hier zit ik dan. Ik kijk uit het raam en realiseer me dat hier de protesten waren. „Ja, eerst een flat verderop”, zegt hij. „Stonden ze daar te roepen en ik kon ze vanuit hier zien. Later kwamen ze er pas achter dat ze bij de verkeerde flat stonden.” Raar.

Foto’s van zijn familie hangen aan de muur. Benno L. vertelt verhalen. Hij vindt het verschrikkelijk wat hij de slachtoffers heeft aangedaan, zegt hij. Hij neemt volle verantwoordelijkheid.

Tegelijkertijd is er nog zoveel meer ten gronde gericht. Er zit een man met een gekwelde geschiedenis voor mij. Die anderen heeft gesloopt en zelf is gesloopt. En in zijn gesloopte leven heeft hij andere levens meegezogen. Met het protest tegen zijn leven is er ook weer een hoop gesloopt.

Nu zit ik hier. En we drinken koffie.

Elk een eigen achtbaan

Na ongeveer anderhalf uur schud ik hem de hand. „Welkom om ook bij ons eens koffie te komen doen”, zeg ik hem, en heb er ergens meteen weer spijt van. Mijn onderbuik verzet zich hevig, mijn ratio zegt tegen mijn onderbuik dat-ie normaal moet doen. Mijn hart zegt: gewoon doen.

Benno vraagt hoe mijn vrouw daarover denkt. Die is het er wel mee eens, denk ik. Nou laten we dan kijken, zegt hij. Later zeggen anderen over die uitnodiging: „Tof dat je geweest bent, maar je hoeft geen vrienden te worden, hè. Mooie actie, zo.”

Ik weet het niet. Het is logisch om hem uit te nodigen voor koffie bij mij. Net als dat het logisch was dat ik de pagina maakte. Logisch op een heel onlogische manier.

Ik voel me moe als ik het appartement verlaat. Mijn hoofd, hart en onderbuik hebben elk een eigen achtbaan gereden – een enorme. En nu moeten ze murw geslagen weer op zoek naar elkaar. Daar zijn ze nog steeds mee bezig als ik dit schrijf.

Ik stap in mijn pruttelende 2CV'tje en begin aan de weg naar huis, van Leiden naar Amsterdam. Nog even kijk ik achterom naar de parkeerplaats voor de flat waar de mensen stonden met boze borden. Dan zet ik de radio aan en luister naar het nieuws. Iets met files en omleidingen. Iets met het weer en dan is er reclame, voor aandelen en voor een auto.

Fijn, zulke ruis. Wanneer zal hij koffie komen doen bij mij? <<

    • Rikko Voorberg
    • Tjarko van de Pol