Kom, kom, die gelovigen zijn niet fanatiek

Twee keer maar gebruikte het SCP de term ‘neofundamentalisme’ en meteen gaan media ermee aan de haal. Een begrip dat vervelende en foute associaties oproept, aldus

Miranda Klaver, Johan Roeland en Kees van der Kooi.

EO-Jongerendag 2013. De personen op de foto komen niet voor in het artikel.
EO-Jongerendag 2013. De personen op de foto komen niet voor in het artikel. Foto ANP

Het SCP-rapport ‘Geloven binnen en buiten verband’ is deze week breed uitgemeten in de media. Verschillende dagbladen gaven de indruk dat er een verontrustende ontwikkeling onder christelijke jongeren gaande is. NRC kopte ‘Gelovige jongeren worden steeds fanatieker’, de Volkskrant ‘De neofundamentalist is jong en almaar strenger in de leer’ en Trouw opende met ‘Bijna de helft jonge christenen is ‘neofundamentalist’’. Diezelfde avond zaten de zogenaamde ‘neofundamentalisten’ aan tafel bij De Wereld Draait Door en bij Pauw en Witteman.

Het categoriseren van christelijke jongeren als ‘neofundamentalisten’ is exemplarisch voor de moeizame verhouding tussen religie, religieonderzoek en media.

Ten eerste is de term ‘neofundamentalisme’ suggestief en tendentieus omdat het een sterke associatie oproept met religieus extremisme, radicalisering en religieus geweld. Het gebruik van het woord neofundamentalisme suggereert daarom dat er sprake is van gevaar. Waarom is het nodig om deze ontwikkeling op deze manier te framen en voor het voetlicht te brengen? Zegt dit niet meer over de media dan over wat er precies gaande is?

NRC’s ‘fanatiek’ roept de associatie met jihadisten op; het ‘neofundamentalisme’ van Trouw en de Volkskrant roept associaties op van gewelddadige gelovigen. Al lang voor 9/11 werd de term religieus fundamentalisme gebruikt voor groepen die zich isoleren van de samenleving, die de status quo verwerpen, die de wereld beschouwen in termen van een oorlog tussen goed en kwaad en die intolerant zijn ten opzichte van andersdenkenden.

Tegen de achtergrond van de media-aandacht voor Syrië-gangers is het gebruik van de term neofundamentalisme voor christenjongeren stemmingmakerij. We krijgen de indruk dat een geseculariseerde schrijvende elite het nodig vindt om ontwikkelingen op het religieuze vlak, met name onder jongeren, als bedreigend voor te stellen.

Overigens is het onderzoeksrapport terughoudend, ‘neofundamentalisme’ wordt slechts twee keer genoemd (zie pagina 85 en 90). Het idee dat we nu een grote groep christelijke neofundamentalisten hebben, is al een behoorlijke vertekening van wat we in het rapport aantreffen.

Wat wel uit het onderzoek naar voren komt is wat in de literatuur een heroriëntatie op traditie wordt genoemd. Alleen: we hebben vragen bij de manier waarop het SCP tot deze conclusie kwam – een conclusie die het instituut overigens al in 2006 trok. De aan respondenten voorgelegde stellingen over geloof in een hemel, hel, de duivel, leven na de dood en de Bijbel als het woord van God zullen de meeste orthodoxe christenen zelden ontkennen. De vraag is echter wat mensen daar precies mee bedoelen.

Hier wreekt zich de kwantitatieve benadering. Kwalitatief onderzoek is nodig om te onderzoeken wat hel en duivel betekenen voor gelovigen. Kwantitatief onderzoek dat de religiositeit van mensen afmeet aan het instemmen met geloofsuitspraken veronderstelt een heel eenzijdig en rationeel religiebegrip.

Het uitvoeren van longitudinaal onderzoek is zo bezien niet eenvoudig. Onderzoeksvragen zullen gedurende het onderzoek aangepast moeten worden aan ontwikkelingen in religie en de wijze waarop gelovigen zin en betekenis geven aan hun leven. Grote woorden als neofundamentalisme doen in die context geen recht aan de werkelijkheid.