Fortuyn is een hondje

Foto’s Mark Leong/Redux/Hollandse Hoogte

Boris van der Ham heeft een theorie over het onstuimige succes van Pim Fortuyn in de campagne van 2002: Fortuyn is een hondje. De historicus en acteur die tien jaar Kamerlid was voor D66, ontleent deze analyse aan zijn tijd als middelbare scholier, toen hij speelde bij amateurvereniging Maskerade in Uithoorn. Bij repetities was er altijd een hondje, van een van de actrices. Het was een wit, klein, pluizig beestje. Het bleef tijdens de voorstellingen op het toneel en de eerste keer dat het beestje publiek zag, schrok het zich wild. Het wilde direct weg, maar dat kon niet: het was aangelijnd. Het publiek lachen. Dat vond het hondje leuk en de rest van de voorstelling rende het rondjes op het podium, kwispelend van plezier. Maar de acteurs lukte het niet meer om nog enige serieuze aandacht te krijgen. Alles wat ze deden, leek potsierlijk en vooral gemaakt. Het hondje was zichzelf en stal de show. Conclusie van Van der Ham: ‘tegen zo veel echtheid was geen acteur opgewassen.’

Fortuyns beroemdste optreden als hondje, als ‘ontregelaar’, was tijdens het lijsttrekkersdebat op de avond van de gemeenteraadsverkiezingen van 2002 onder leiding van Paul Witteman. Van der Ham was erbij in een belendend zaaltje, als D66-campagnemedewerker. Hij hoorde Melkert na afloop van het debat tegen zijn assistent zeggen: ‘Jullie wilden toch dat ik meer van mezelf liet zien? Nou, dit ben ik.’

Het derde oog

In een fascinerend boekje waarin Van der Ham onderzoekt hoe toneelwetten werken in het politieke theater, ontleedt hij die wens om gewoon jezelf te zijn. Politiek adviseurs en kiezers hebben er de mond van vol, maar het is een malle wens, zegt hij.

Politici en acteurs moeten overtuigen. Ze verrichten handelingen in het spotlicht, iedere misstap kan fataal zijn en het publiek is kritisch. Van der Ham: ‘Een politicus wordt gekozen om de idealen en wensen van kiezers te verzilveren, dus we verlangen niet dat er „gewoon” wordt gedaan: hij of zij moet juist iets „buitengewoons” presteren.’

Als een acteur het compliment krijgt dat hij ‘natuurlijk’ acteert, heeft hij iets bijzonders gedaan. Politici en acteurs moeten spelen zichzelf te zijn. Dat is de ‘wet van het hondje’: op uitzonderlijke gevallen als Berlusconi en Fortuyn na, moeten politici boven zichzelf uitstijgen.

Bij Van der Hams verkenningen van de relatie tussen politiek en toneel komen talloze toneelinzichten voorbij. Zoals: ‘het derde oog’, een begrip onder toneeldidactici. De opdracht: kijk niet te veel naar jezelf terwijl je optreedt. Politici hebben daar een handje van. Als ze net lekker uit hun woorden komen, ziet het publiek ze denken: ‘goed hè?’ Weg goed optreden.

Of neem de wet in de titel van het boek: niet een partijleider maar zijn directe omgeving „speelt” iemand tot koning. Ga niet gezagvol lopen doen, aldus Van der Ham. Dat is potsierlijk. De personages om je heen moeten zenuwachtig worden, wat sneller of langzamer lopen, de deur openhouden, opeens stilvallen – de koning, intussen, blijft ontspannen. ‘Zelfs al speel je een totaal gestoorde koning’, zei actrice Ellen Vogel tegen Van der Ham: ‘de anderen moeten voor je knipmessen.’

Of neem het ‘emotioneel geheugen’, van de Russische toneelregisseur Stanislavski. In het kort: gebruik eigen ervaringen en herinneringen om een rol waarachtigheid te verlenen. Neem het geweer aan de muur bij Tsjechov: ergens in het toneelstuk gaat het af, het ding hangt er niet voor niets. Enzovoorts. En, o ja, de ‘hijgerigheid’ van politici moet niet alleen metaforisch worden opgevat. Vaak is de stem gewoon nog niet ver genoeg ‘gezakt’, iets wat acteurs leren tijdens hun opleiding.

Dus politiek is theater, een spel. Ja, zegt Van der Ham, en dat is maar goed ook. Hij verdedigt de politiek tegen een bekende kritiek, onlangs nog omstandig verwoord door misdaadverslaggever Peter R. de Vries in een uitzending van De wereld draait door. De Vries vond het ‘schandalig’ dat politici tijdens debatten elkaar scherp de maat nemen om naderhand, als de camera’s uit zijn, elkaar ‘op de schouders te slaan met een biertje erbij’. Alsof de publieke zaak ze niet ernst is.

Van der Ham herinnert eraan dat ook socialist-anarchist en antimilitarist Ferdinand Domela Nieuwenhuis onpasselijk werd van de collegiale vriendelijkheid onder volksvertegenwoordigers. Maar hij stelt daar de historicus Johan Huizinga tegenover, die het juist een teken van democratie vindt als er een element van ‘spel’ in de politiek zit. Dat waarborgt de geweldloosheid. Als politiek ophoudt spel te zijn, draaien politici zich vast in hun tegenstellingen. Als ze buiten het debat niet meer met elkaar willen praten, schreef Huizinga in 1938, is de democratie in gevaar. Een tikje visionair, wel.

Echtheid, oprechte woede, volgens Van der Ham klinkt het allemaal ernstig, nobel en integer, maar in de praktijk van de democratische beleidsvorming heeft niemand er iets aan. Een beetje theater mag best, zegt deze politicus van het midden. En als je dat eenmaal toegeeft, lijkt deze politieke acteur te zeggen: acteer dan ook een beetje op niveau.