Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Boeken

Literatuur light rukt verder op

Zolang als er boeken worden uitgegeven is er kritiek op het gebrek aan literaire gehalte. Nu lijkt de kritiek erger dan ooit. Schrijvers vrezen hun uitgever uit angst dat hun roman niet expliciet genoeg is.

Wat is literatuur nog in dit land? Binnen de literaire wereld is daar onenigheid over. „Het instapniveau van de Nederlandse literatuur is niet hoog”, stelt schrijver en criticus voor de Groene Amsterdammer Joost de Vries (1983), die vorige week de Gouden Boekenuil won. Is er sprake van literaire ontwaarding?

„Eigenlijk is de vraag wat literatuur is helemaal niet interessant”, zegt Willem Bisseling (1982), literair agent bij Sebes & Van Gelderen, een bureau dat een variëteit aan schrijvers begeleidt: van Kristien Hemmerechts tot Arthur Japin en Isa Hoes. „Vroeger had Querido het stempel ‘literaire uitgeverij’ en The House of Books was ‘commercieel’. Die grens is vervaagd. Uitgevers zorgen ervoor dat de vraag wat literair is, niet meer zo belangrijk is. De gatekeepers van de literatuur zijn vooral bezig met hoe ze een boek in de markt moeten zetten. Als ik met een heel goed literair boek bij een uitgever aankom, is de eerste vraag: aan welk haakje kan ik het verkopen?”

Zo’n ‘haakje’ of pitch is nooit de literaire waarde van het boek. Het kan bijvoorbeeld de status van bekende Nederlander zijn, een pikant autobiografisch gegeven of een aantrekkelijk voorkomen. „Het hoeft geen negatief gegeven te zijn”, benadrukt Chris Herschdorfer (1963), directeur van uitgeverij Ambo Anthos. Hij geeft onder meer de bestsellers van Saskia Noort en Herman Koch uit. „Het diner van Koch heeft een goed ‘haakje’ omdat je snel kunt uitleggen waar het boek over gaat: vier ouders zitten aan tafel, ze weten dat hun kinderen een misdaad hebben begaan. Hoe ga je daarmee om? Een boek dat zich moeilijk in enkele zinnen laat samenvatten of een debuut van een onbekende auteur is lastiger te verkopen aan de boekhandel.”

En als het de eerste keer al is gelukt om een prachtig debuut van een onbekende auteur aan een boekhandel te slijten, kan het zijn dat de boekhandelaar de tweede roman van diezelfde schrijver weigert, omdat het debuut slecht heeft verkocht. Herschdorfer beaamt dat de markt meer lezersgericht is geworden. „En lastiger: veel mensen willen hetzelfde lezen om erbij te horen, dat kan een literaire thriller of een gelaagde roman zijn, maar het gaat altijd om het topje van de ijsberg, van het brede aanbod.” Hij is voorzichtiger geworden in zijn uitgeefbeleid. „Of realistischer”, zegt Herschdorfer.

Literatuur light

Joost de Vries stelt zich bij ieder boek dat hij bespreekt de vraag: is dit literair? Hij valt met zijn literaire romans als Clausewitz (2010) en De republiek (2013) erg in de smaak bij de oudere generatie critici. „Voor mij is een boek literatuur als het op een heel eigen manier een verhaal vertelt. Bij veel romans krijg ik niet direct het gevoel dat de schrijver geprobeerd heeft het boek ‘eigen’ te maken, je gaat van A naar B naar C, op de meest voor de hand liggende, veilige manier. In hoeverre die veiligheid wordt ingefluisterd door uitgeverijen – of boekenboeren als Sebes en Co – kun je je afvragen. Je weet dat veel uitgeverijen jonge auteurs ‘van de straat plukken’, of ze uit kranten of twitterfeeds vissen, en hen begeleiden naar het soort autobiografische roman dat voor hen haalbaar is.”

Met die (semi)-autobiografische romans van literaire tot minder literaire pluimage kunnen de schrijvers op veel media-aandacht rekenen: neem Paaz (2012) van Myrthe van der Meer, De belofte van pisa (2013) van Mano Bouzamour of Cirkels zijn alleen mooi als ze rond zijn (2014) van Yuki Kempees. „Ik begrijp dat uitgevers moeten overleven maar er is nu wel erg veel literatuur light. Dat vind ik een zorgwekkende ontwikkeling”, zegt Vrij Nederland- criticus Jeroen Vullings (1962). „Er verschijnt een enorm cohort romans waarin alles uit den treuren verklaard wordt, waarin geen ruimte is voor suggestie en er geen verbeeldingswereld meer bestaat. Wat je nu ziet is een overkill aan schrijvers die een pover vocabulaire hebben van, zeg, maximaal vijfhonderd woorden. Ze schrijven vanuit het perspectief: ik ben dertig en depressief. Het ontbreekt ze aan noemenswaardig zelfinzicht, en aan twijfel.”

De Vries: „Je krijgt niet het gevoel dat ze gestimuleerd zijn hun romans moeilijker te maken, poëtischer, literairder. Dit levert veel expliciete boeken op met weinig gelaagdheid.”

Regelmatig hoort Simone van Saarloos (1990), criticus en columnist voor nrc.next, van haar schrijvende vrienden dat hen gevraagd wordt hun boeken aan te passen in het kader van de verkoopbaarheid. „Er heerst veel wantrouwen jegens de uitgever. Ik weet niet of dat gevoel volledig gegrond is – misschien is het een gezonde respons van iemand die autonoom werk wil leveren – maar er is in ieder geval wel een voedingsbodem voor. Ik had nog geen column voor nrc.next, nog geen boek geschreven, alleen wat schrijfwedstrijden gewonnen en verhalen geschreven, of ik werd al benaderd door uitgevers. Je weet dat ze denken: een lekker koppie, jong meisje, haar kunnen we makkelijk ‘marketen’.” Momenteel werkt Van Saarloos aan een roman, maar ze laat haar manuscript pas aan haar redacteur lezen als het bijna af is. „Ik ben toch bang dat ik mijn roman ‘makkelijker’ moet maken.”.

Roepen uitgevers echt om meer expliciete teksten zoals Joost de Vries en Simone van Saarloos veronderstellen? Annette Portegies (1968), directeur van uitgeverij Querido kent ze niet, „die uitgevers die hun schrijvers op die manier proberen te manipuleren. En schrijvers die zich op die manier láten manipuleren, die zijn toch geen knip voor de neus waard? Dat de literatuur allengs minder literair wordt, is een stelling die ik niet onderschrijf. Jamal Ouariachi, Marente de Moor, Gustaaf Peek, Désanne van Brederode, Bart Koubaa, om maar eens een paar succesvolle dertigers en veertigers uit mijn eigen fonds te noemen, schrijven literatuur zoals literatuur bedoeld is, met een scherp oog voor de stijl, voor de compositie, voor de psychologie, voor de betekenis van hun werk. Het zijn allemaal totaal verschillende schrijvers, die evenwel één ding gemeen hebben: hun literaire gedrevenheid.”

Feel good literatuur

Portegies neemt wel een ándere ontwikkeling waar. Volgens haar hebben uitgevers de term ‘literatuur’ bewust laten verwateren door diverse genres, zoals de thriller en non-fictie het predikaat ‘literair’ te geven. „Anything goes, zo lijkt het. Het is een spraakverwarring die nog versterkt wordt doordat sommige literatuurwetenschappers dat anything goes tot norm verheffen. Dat de hedendaagse lezer eclectisch leest en zich weinig aantrekt van het onderscheid tussen de ‘hoge cultuur’ en ‘lage cultuur’, wil nog niet zeggen dat dat onderscheid überhaupt niet meer bestaat.”

„Literatuur vertegenwoordigt niet zozeer een waarde in zichzelf. Uitgevers, critici en jury’s ‘maken literatuur”, zegt Jos Joosten (1964), hoogleraar Nederlandse Letterkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij vindt het lastig te zeggen of er nu inderdaad een tendens naar simplificatie heerst. Dat critici klagen over de belabberde productie van literatuur is volgens hem van alle tijden, „maar ze zijn z élf onderdeel van die productie.” Een voorbeeld: Er komt een vrouw bij de dokter (2003), het debuut van Kluun, werd door de kritiek niet opgepikt, maar werd vervolgens een enorme bestseller. Zijn volgende roman De Weduwnaar (2006) werd wél in serieuze kranten als NRC Handelsblad besproken, weliswaar negatief. Joosten: „Zeg dan: dit is geen literatuur, we bespreken liever een onbekende debutant die wél aandacht verdient. Anderzijds: als het aanbod verandert, moet de kritiek misschien gewoon mee.”

Op het ‘literaire’ aanbod valt altijd wat aan te merken: eind jaren negentig had je de ‘gemaksliteratuur’, tien jaar geleden werden de ‘polderthrillers’ van schrijvers als Saskia Noort en daarna feel good literatuur van schrijvers als Arthur Japin of Heleen van Royen erg populair, schetst Vullings. Ondanks alles heeft hij hoop: „Kijk naar Joost de Vries, Jamal Ouariachi, Wytske Versteeg. Zij roeren niet armoedig in hun eigen autobiografica om een boek te schrijven.” Van Saarloos probeert zich niet vast te pinnen op literaire dogma’s: „Je moet openstaan voor alles wat er verschijnt, ook wanneer je denkt: wat is dit? Alleen dan kun je verrast worden. De roep dat romans niet experimenteel en gelaagd genoeg zijn zal jonge schrijvers motiveren om het tegendeel te bewijzen.”