‘Droevige vondsten doen me zo’n plezier’

In een baksteendik boek staan nu de liefdesbrieven, ruziebrieven, dankbrieven, excuusbrieven, afwijsbrieven en mopperbrieven van de dichter-schrijver, die niet zelden leefde met angst en beven, maar in zijn werk veel vrolijks naliet.

Wie weet nog wie Willem Wilmink was? Vorige week sprak ik een aardig belezen student Geschiedenis die nog nooit van hem had gehoord. Hij kende geen van de titels die ik noemde. Na enig graven kwamen we op ‘Deze vuist op deze vuist, / deze vuist op deze vuist, / deze vuist op deze vuist, / en zo klim ik naar boven’, een van de liedjes uit De film van Ome Willem. Dat kwam hem dan nog wel vaag bekend voor. Maar natuurlijk nooit geweten dat dat een tekst van Willem Wilmink (1936-2003) was.

Ik vertelde hem dat je Wilmink ook nog zou kunnen kennen van honderden andere liedjes en gedichten, verzameld in twee baksteendikke delen (2004). Of van zijn even dikke Verzamelde verhalen (2009). Of van zijn Sprookjes en vertellingen (2010). Of van zijn honderden stukken en stukjes over zangers en dichters, voor alle leeftijden, variërend van een schriftelijke cursus dichten tot een heus proefschrift over Hendrik de Vries. Of van zijn vele vertalingen en bewerkingen. Of van zijn autobiografie Hier is Prins Zonneschijn (2008).

Of, sinds kort, van zijn Zelfportret in brieven, ook al een baksteendik boek. Het is een keuze uit de vele honderden brieven die Wilmink schreef aan familie, vrienden, geliefden, uitgevers, collega-schrijvers en dichters als Hans Dorrestijn, Tom van Deel, Harry Bannink, Herman van Veen en Herman Finkers. Er zit van alles bij: liefdesbrieven, ruziebrieven, dankbrieven, excuusbrieven, afwijsbrieven, mopperbrieven, schrijversbrieven en kattenbellen. Maar ook brieven op rijm, zoals het jaarlijkse felicitatievers voor Karel van het Reve. Of het jaarlijkse dankvers voor een doos matzes, ontvangen vlak voor Pasen, gericht aan Herjo Woudstra, de laatste directeur van Hollandia Matzes in Enschede. We vinden hier gouden regels als ‘Wat men ook mist en af moet schrijven / en wat ter wereld ook verga, / één zekerheid zal altoos blijven: / de matzes van Hollandia!’

Zakelijk

De gemiddelde Wilmink-brief is kort, en maakt op het eerste gezicht een wat zakelijke indruk. Geen sierlijke uithalen, geen lyrische uitweidingen, geen mooischrijverij, maar recht op het doel af. Eigenlijk moest hij, denk ik, gedichten en verhalen schrijven van zichzelf, dus mocht hij niet te veel tijd aan zijn brieven besteden. Lees ook wat de samenstellers (uitgever Vic van der Reijt en weduwe Wobke Wilmink-Klein) schrijven over zijn correspondentiegedrag: ‘Wie hem een brief schreef, kreeg onmiddellijk een antwoord terug. Daarna zette hij een groot kruis door de beantwoorde brief en die verdween dan in de prullenmand. Er zijn relatief weinig brieven aan Wilmink bewaard gebleven.’

Niemand zal Wilmink een groot epistolair talent noemen, zoals Gerard Reve of Jeroen Brouwers, maar toch zijn zijn brieven beter dan ze op het eerste gezicht lijken. Ze zijn beknopt. Er is goed over nagedacht. Ze zijn oprecht. Er zit haast achter en gedrevenheid, op het driftige af: een toon die ook in veel van zijn stukken terug te vinden is. Het zijn brieven met een hoog soortelijk gewicht. Dat gaat dan bijvoorbeeld zo, op 22 juni 2000, in een brief aan Kees Fens: ‘Een herseninfarct en dichtslibbende aderen, het laatste met onder meer als gevolg de al door jou gesignaleerde etalagebenen, hebben een oude, bange man van mij gemaakt.’ Dan volgt een zin over de vuurwerkramp in Enschede, en over het gedicht dat hij daarover schreef (‘Enschede huilt’), en over zijn net verschenen boek Lyrische lente, met vertalingen van liederen en gedichten uit het middeleeuwse Europa. Fens had er een recensie over geschreven, en daar reageert Wilmink een week later op. Niet om hem te danken, maar om hem te melden dat hij had moeten huilen toen hij zijn vrouw Wobke een van de door Fens genoemde gedichten had voorgelezen.

Misschien is het niet de bedoeling, maar ik ga dan dat gedicht opzoeken in Lyrische lente – en lees een ontroerend simpel en zuiver Maria-gedicht, in middeleeuws Engels, en in Wilminkiaans Nederlands, met een prachtige toelichting van W.P. Gerritsen erbij. Dan springt Wilmink in één moeite door naar zijn proefschrift. Hij zegt alleen maar wat Wim Gerritsen hem daarover heeft gezegd. ‘Het boek is me dierbaar, maar een goed proefschrift is het niet.’ Wij, lezers, houden dan onze adem in, want wij weten, uit eerdere brieven, dat er iets pijnlijks is voorgevallen rond het proefschrift van Wilmink en promotor Kees Fens. Wij weten dat Fens het ook geen goed proefschrift vond. En Wim en Kees weten het ook van elkaar, maar hebben het blijkbaar nooit hardop uitgesproken. Nu, in 2000, laat Wilmink het bij deze ene opmerking – en bij een herinnering aan zijn lastige bezoek aan Fens, indertijd, waarbij de vrouw van Fens troost bood, ‘grote troost’, in de vorm van ‘die hele kleine broodjes met verrukkelijk beleg’. Deze scène, een eigentijds Maria-gedicht al bijna, sluit mooi aan bij het middeleeuwse Maria-gedicht van enkele regels daarvoor. Dan volgt de schrijnende slotzin: ‘Ik kom Twente niet meer uit en hoop dat jij eens in de buurt bent en dat je me ’t dan laat weten.’

Uit de omringende brieven weten we inmiddels dat Wilmink in zijn latere jaren steeds angstiger werd. Dat had te maken met zijn wankele gezondheid en met de vuurwerkramp van 13 mei 2000, die hem, zoals hij in een andere brief schreef, regelrecht verplaatste naar zijn jeugdtrauma, toen hij als kleine jongen in de kelder van een huis zat, dat werd gebombardeerd: Enschede, 10 oktober 1943, hoek Javastraat / Brinkstraat.

De angst van dat moment ‘veranderde hem van een onbezorgd kind in het ziekelijke bange jongetje dat hij in zekere zin voor altijd zou blijven’, schrijft Elsbeth Etty in haar prachtige inleiding bij dit brievenboek. Zij voert ons, in vijftien pagina’s, door het leven en het werk, en de ziel, van Willem Wilmink. Het is de voorbode van de biografie die Etty over Wilmink aan het schrijven is. Zij laat mooi zien hoe hij probeerde de geborgenheid van zijn jeugd te verlaten, maar altijd angstig en kwetsbaar bleef. In 1991 keerde hij terug naar zijn geboortestraat in Enschede: een veilige plek, die aan het eind van zijn leven zou verkeren in een schuilkelder.

Grote liefde

Het valt in deze brieven allemaal na te lezen: van de schuchtere, bleue student in Amsterdam, die niet goed snapt wat hij allemaal verkeerd doet, naar de eerste liefde Noortje Smits. Dan komt alles in een stroomversnelling: huwelijk, huis, baan, kinderen. Maar ook: problemen in het huwelijk, problemen op het werk. Hij vindt zijn tweede grote liefde, Wobke Klein, en besluit met haar opnieuw te beginnen: weg uit Amsterdam, weg uit het universitaire milieu. Hij wordt overtuigd broodschrijver in Capelle aan de IJssel, en later in Zeist, met een onwaarschijnlijk hoge productie. Dat blijft zo als hij terugkeert naar Enschede. Ook als zijn gezondheid minder wordt, blijft hij in hoog tempo dichten, vertalen en bewerken.

Zelfportret in brieven is een boeiend, propvol boek geworden. We zien een zoekende verliefde jongen, die als een troubadour liefdesliedjes en gedichten mee stuurt, veranderen in een steeds zelfbewustere dichter en schrijver: doelgerichter, met krachtige opinies. Maar vormt dit alles bij elkaar nu een zelfportret? Ik weet het nog niet. Ik zou toch eerder zeggen dat we hier de vele gezichten van Wilmink zien: het kind, de dichter, de vriend, de echtgenoot, de vader, de broer. Een mens heeft nooit één gezicht. En een mens verandert, in de loop der jaren– dat zie je hier ook heel goed.

Wilmink wekt in zijn brieven de indruk eerlijk te zijn, maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat hij alles vertelde. Hij zegt het heel mooi in een gedicht voor zijn broer André: ‘jij kent van wat ik schrijf de achterkant.’ Maar wij kennen die meestal niet. Het gaat hier vaak over zijn gevoelens, maar bijna altijd, zoals in de brief aan Fens, kort en puntsgewijs. Er valt veel tussen de regels te lezen. Dat is wat een biograaf zal moeten doen. Ik ben daarom erg benieuwd naar de biografie van Etty.

Er zat veel angst en beven in dit leven, en ook veel drift en paniek, en weemoed en droefenis. ‘Wij hebben inderdaad heel wat Twentse Weltschmerz geërfd van vader, die ’t weer van zijn moeder had: een vrouw die zich om ’t minste of geringste ongerust maakte’, schrijft Wilmink aan zijn broer Hans. Maar hij weet ook dat hij door te schrijven zijn droefheid kan verdrijven. ‘Als ik een gedicht wil schrijven in de trant van “ik wou dat ik dood was”, doen m’n droevige vondsten me zo’n plezier, dat het gedicht vrolijk eindigt; en daarna herschrijf ik dan het begin’, schrijft hij in 1962.

En zo is het ook met deze brieven, ook al zijn die dan nooit voor publicatie bedoeld geweest. Er valt, kort, puntsgewijs, ook erg veel te lachen, tot vlak voor het eind. Dan neemt Wilmink, die wist dat hij niet lang meer te leven had, afscheid van zijn dierbaren met een paar ontroerende brieven – en een allerlaatste verzoek aan zijn huisarts: ‘Weer een kleine dodemansbrief: ik wil graag een goede kwaliteit van leven hebben en die mag ten koste gaan van de kwantiteit: nog een paar weekjes, maar zonder angst.’