Zo bang dat ik haar wakker maak

Serie over zeven dames die voor hun eigen veiligheid achter een cijferslot wonen. Met in de hoofdrol mevrouw Niterink (86), de moeder van Tosca Niterink.

Vorige week zat mevrouw Map nog bij de kapper
Vorige week zat mevrouw Map nog bij de kapper Anita Janssen

Op de gang voel ik het al. De sfeer die uitstijgt boven de wegtrekkende bloemkool-met-sausijsjesgeur is anders dan anders. Mevrouw Map ligt op sterven. We lopen op onze tenen langs haar kamer. Leeft ze nog wel? De deur is dicht maar haar naam staat er nog gewoon op. Betekent dat iets? We houden onze adem in.

„Volgens mij hoor ik het bed kraken”, fluistert Annie.

„Godzijdank”, zucht ik opgelucht.

„Het kan ook een stoel zijn”, twijfelt Annie een paar stappen verderop.

„Ze leeft in elk geval nog”, snauw ik, „anders kraakt er niks.”

Dan slaat de twijfel weer toe, er klinkt hartverscheurend gesnik uit de huiskamer. „Jezus”, zeg ik geschrokken.„’t Is Sylvia maar”, stelt Annie me gerust.

Niemand kijkt op als we de kamer binnenstappen, zelfs Pijnenburg niet. Sinds een tijdje heeft ze geen zin meer om zich aan te kleden, te eten en zelfs niet om ruzie te maken met iedereen die binnenkomt. Haar nachthemd slobbert om haar broodmagere lichaampje. Er hangt een zak met vocht aan haar been, omlaag gegleden uit haar bijna-doodskleed. Het schijnt haar niet te deren.

„Dag mevrouw Pijnenburg!” Ze draait haar hoofd om en er verschijnt een lach op haar uitgeteerde gezicht.

„Zijn jullie daar weer! Dag lieve schatten.” Ze heeft op de valreep een karaktertransformatie ondergaan. Mijn schoonmoeder zegt in zo’n geval: „Als het komt, komt het ineens.”

Pijnenburg is nog maar een schim van de schim die ze was. Een lieve schim van haar boze zelf. Ik wil haar eigenlijk even aanraken, een hand op haar schouder leggen ofzo, maar ik aarzel, je weet niet of ze toch ineens gaat bijten.

De zuster, nog in de jeugdpuistleeftijd, ik schat haar niet ouder dan zestien, zit in haar eentje op de bank naar GTST te kijken. „Goeienavond”, zegt ze zonder haar blik van de tv af te wenden. De flikkerende beelden weerkaatsen op haar glimmende probleemhuid.

Aan de tafel in de hoek van de kamer zit de nieuwe bewoonster Sylvia („Zeg maar Sylvia”) te snikken, net als vorige week. Mijn moeder en Wormerveer zitten tegenover haar. „Ik kan mijn sleutels niet vinden”, snikt Sylvia terwijl ze wanhopig haar tas uitspit.

„Ik heb al gevraagd of ze een spelletje domino wil doen maar ze wil niet”, zucht Wormerveer

„Ik heb wel een buskaart”, roept Sylvia „maar die is verlopen!” Ze barst in wanhopig snikken uit.

„Ik vind het zo erg voor haar”, zucht Wormerveer. „Ik wou dat ik haar kon helpen, maar ik kan haar niet eens aan een spelletje krijgen.”

De zoon van Map komt binnen.„Hoe is het met je moeder?” vraagt Annie.

„Ze ligt in coma”, zegt hij. „Ik denk niet dat ze de nacht haalt.”

„Ik zou heel graag even bij haar langsgaan”, zegt Wormerveer, „maar ik ben zo bang dat ik haar wakker maak.”

„Als u dat toch eens voor elkaar zou krijgen. Van mij mag u het proberen”, zegt de zoon van Map.