Wie heeft er baat gehad bij de euro?

De euro is voor velen symbool van falen in Europa, recessie, werkloosheid. Toch dringt zich ook na de crisis de vraag op: hebben we iets aan de euro gehad en wie hadden voor- of nadeel. Opvallend: Duitsland deed het sinds de invoering van de euro beter dan de VS.

Vrijwel iedereen die er oud genoeg voor is weet het nog: waar je was toen je de eerste euro-bankbiljetten uit de pinautomaat haalde. 1 januari 2002 was het. De Europese muntunie was toen al drie jaar aan de gang. Op 1 januari 1999 waren de nationale valuta’s van 11 eurolanden onlosmakelijk aan elkaar verbonden en vormden ze in de praktijk al de euro. Twee jaar later schoof ook Griekenland aan, ruim op tijd voor de bankbiljetten die een jaar daarna voor het eerste uit de automaat kwamen – óók in het grieks.

De euro is als verschijnsel in het dagelijks leven verbluffend snel normaal geworden. Maar geliefd is de munt, als voorbode van een gouden gezamenlijke toekomst, al lang niet meer. Hij staat symbool voor het falen van Europa, voor recessie, werkloosheid, bezuinigingen en conflict. De aanstaande verkiezingen voor het Europees parlement worden gezien als een referendum over ‘Europa’ zelf. Zij zijn ook een volksgericht over wat het symbool van eenheid moeten zijn. Zelfs het ontwerp van de eurobiljetten maakte de onderlinge naijver in Europa zichtbaar: juist op het continent dat zoveel architectonische schatten herbergt zijn de bruggen en gebouwen op het papieren geld imaginair. Want stel je voor dat zij herkenbaar zouden zijn en dus weer nationaal getint.

Blijft ook in deze crisisjaren nog altijd de vraag: hebben we eigenlijk wel iets aan de euro gehad. En zo ja, wie dan? Allereerst moet gezegd wat voor vrijwel elke vorm van economische integratie geldt: de nadelen zijn voor iedereen zichtbaar, maar de voordelen vaak veel minder. Vrijhandel betekent dat er fabrieken sluiten, en dat komt in het nieuws. Vrijhandel betekent ook dat er onnoemelijk veel kleine voordelen optreden die samen in de regel veel groter zijn. Iets lagere prijzen over een breed front bijvoorbeeld. Of meer keuze.

Recept voor moeilijkheden

Zo had het ook met de euro moeten gaan. Er werd, voor aanvang al, op een crisis gerekend. De architectuur van de muntunie was onvolkomen: één munt terwijl er geen sprake was van politieke integratie, een gezamenlijk economisch beleid en een financiële sector waarop door een gezamenlijke instantie zou worden toegezien. Dat was het recept voor moeilijkheden, die na een crisis zouden moeten worden opgelost. Zo was het met Europa tenslotte altijd al gegaan: de ene stap naar integratie maakt de volgende onontkoombaar – ook al was daar de tijd nu nog niet rijp voor.

Die verwachte crisis zou het zichtbare nadeel worden, maar tegen die tijden zouden de vele minder goed zichtbare voordelen samen al veel groter zijn. Zoveel groter dat er per saldo geen nadeel meer zou ontstaan. Het betalingsverkeer zou er op vooruit gaan, geen wisselkoersverliezen meer en ander gedoe op vakantie. Een goedkopere hypotheek door internationale concurrentie. Een diepere kapitaalmarkt waardoor de rentes op overheidsschuld samen lager zouden zijn dan ze voorheen afzonderlijk waren. En het moet gezegd: die voordelen traden ook op. Zelfs iets te uitbundig. Met name de zuidelijke Europese landen zagen de rentes op hun staatsschuld dusdanig dalen dat economische hervormingen om concurrerend te blijven in dat ene, pan-europese blok, niet nodig leken. Andere landen kregen te maken met een ongekende speculatiegolf op de woning- en kantorenmarkt, die hun economie de zwaartekracht leek te doen trotseren.

De crisis kwam, in de gedaante van een perfecte storm. In de jaren na de invoering van de euro reikte de financiële sector in de VS én Europa in alle opzichten tot in de hemel. Om in het najaar van 2008 met een daverende, vernietigende klap ter aarde te storten. Toen Griekenland een jaar later bekende van begin af aan te hebben gelogen over de abominabele staat van de overheidsfinanciën voegde zich daar de al eerder voorziene eurocrisis bij. En deze kreeg mede daardoor een hevigheid die niemand had voorzien.

De rest is geschiedenis, en die geschiedenis weerspiegelt zich in alles waarmee de euro nu in verband wordt gebracht: recessie, werkloosheid, bezuinigingen, conflict. Maar heeft de euro ook iedereen in Europa nadelen gebracht? Dat verschilt sterk per land, tijdperk en persoon.

Winnaars en verliezers

Er zijn geen ideale methodes om winnaars en verliezers aan te wijzen. Maar de ontwikkeling van het bruto binnenlands product (bbp) per hoofd van de bevolking komt in de buurt: met hoeveel is de ‘welvaart’ per Europeaan sinds de invoering van de euro toegenomen? Dit ‘bbp per hoofd’, uiteraard gecorrigeerd voor inflatie, vertoont sinds 1999 in Europa grote verschillen van land tot land.

Er is een winnaar, zij het in relatieve zin, en dat is Duitsland. Sinds 1999 tot en met 2014 (de jongste prognose van het Internationaal Monetair Fonds) is het Duitse bbp per hoofd met in totaal 22,8 procent gegroeid. Oostenrijk en Finland komen als nummer twee en drie, met respectievelijk 19,4 procent en 19 procent. Dat is, om het in perspectief te zetten, méér dan de 18 procent groei per hoofd die de Verenigde Staten in diezelfde periode haalden. Hoezo ‘old Europe’?

Nederland bevindt zich, samen met Frankrijk en België, in de middenmoot. En onderaan vinden we de usual suspects: Spanje, Griekenland, Portugal en als laatste Italië. Werkloosheidspercentages en overheidsfinanciën volgen, niet geheel toevallig, ongeveer dezelfde trend.

De lijst van winnaars en verliezers verschilt zeer sterk per tijdperk. Van 1999 tot aan 2007, de belle epoque van de euro, waren het vooral de zuidelijke landen en Ierland die de lijst aanvoerden, al liepen Italië en Portugal ook toen al sterk achter. Van 2008 tot aan 2014, de al bijna zeven magere jaren van de eurocrisis, voert het noorden de lijst aan. De groeipercentages over beide perioden laten zich overigens niet zomaar optellen: het totaal over vijftien jaar is door het cumulatieve effect altijd iets groter.

Succes baart succes

Over de gehele levensduur van de euro, dus sinds 1999, is er nóg een opmerkelijke conclusie: de plaats op de ranglijst hangt redelijk samen met de hoogte van de welvaart waarmee landen in de euro stapten. Voor de liefhebbers: een correlatie van 0,44. Hoe rijker landen waren, gemeten aan het niveau van het bbp per hoofd, hoe beter zij het gemiddeld deden. Succes baarde, in grote lijnen, succes. Lidstaten die al beter waren voorbereid op internationale concurrentie deden het het best. Dat geldt in opmerkelijke zin ook voor Duitsland. Dat lijkt nu onoverwinnelijk, maar stond er bij de aanvang van de muntunie helemaal niet zo goed voor. Pas de draconische hervormingen van de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid in 2004 en 2005 ontketenden het Duitse potentieel. De stuurloosheid van Italië heeft er juist toe bijgedragen dat dit land per saldo het minst profiteerde van de euro, minder nog dan de geïmplodeerde economieën van Portugal, Spanje, Griekenland of Ierland.

Succes binnen de euro hing tot nu toe voor een belangrijk deel af van nationaal beleid. Nederland wordt in de regel ingedeeld bij de noordelijke landen, maar presteerde eigenlijk slecht: de ontwikkeling van ons concurrentievermogen lijkt meer op die van Frankrijk dan ons lief is. En de toekomst? Zie de euro als een proeftuin voor de globalisering. Wie staande wil blijven in de wereld zal zichzelf eerst op de been moeten houden in de eurozone. En dat betekent dat voortdurende modernisering geboden is om te kunnen blijven bloeien. Want het meest aannemelijke scenario is dat de euro er gewoon blijft, of dat nu een goed idee is of niet.

En wat er gebeurd zou zijn als de euro er niet was geweest? Dat is een alternatieve werkelijkheid die vooral het domein blijft van speculaties.