‘Stemmen kan ik retegoed, net als J.S. Bach zelf’

Foto Ilvy Njiokiktjien

Voor ‘All of Bach’ namen we thuis, op mijn woonboot, de Prelude en fuga nr. 6 in d-klein (BWV 851) uit het eerste boek van Das Wohltemperierte Klavier (1722) op. De andere nummers speel ik niet; voor een breed overzicht van stijlen en technieken spelen andere klavecinisten in binnen- en buitenland de overige delen van Boek 1 en 2.

Das wohltemperierte Klavier is voor klavecinisten de bijbel van Bach. Het gaat erom hoe het klavier is gestemd, getempereerd. Hoe de twaalf tonen zó over het octaaf worden verdeeld dat zowel de octaven als de kwinten zuiver zijn. Dát is de uitdaging. Want in de praktijk kan dat niet, de stemming is altijd een compromis. Het stemmen is een alledaags probleem, je bent er altijd mee bezig. In Keulen had ik lessen van anderhalf uur. Een half uur daarvan werd besteed aan stemmen, ook aan allerlei historische stemmingen.

Stemming is een essentieel onderdeel van het klavierspel, de stemming en de toonsoorten, die weer wisselende stemmingen opleveren, het karakter van de muziek bepalen. Het stemmen, het met de stemschroeven spannen van de snaren, dat is mijn hobby. De preludia vereisen speeltechniek, de fuga’s zijn er om je hersenen te gebruiken. Ik ben niet erg ijdel over mijn spel, maar als het erom gaat wie echt mooi een klavecimbel kan stemmen, ben ik daar zelf de allerbeste in. Ik kan het zó kleuren, dat wat mij betreft die terts in dat stuk echt héél mooi klinkt.

Ik heb een hele kast vol theorie, maar ik doe het op mijn manier. Het is heel persoonlijk. Je stemt twaalf kwinten en dan kan het zijn dat je ergens een heel klein foutje maakt. Dat vergroot zich dan uit en dan stel je dat weer bij, verderop in de kwintencirkel. Het is levende materie. Bach kon het heel snel, niemand kon het zó goed. Daar herken ik me wel in. Bach was retegoed. En ik ben dat ook.”