Politieke economie bij Alstom

Oude reflexen sterven langzaam in Frankrijk. De politieke reacties eerder deze week op het overnamebod van het Amerikaanse industriële conglomeraat GE op de energiedivisie van het Franse Alstom laten zich typeren als opwinding en afkeer. Minister Montebourg (Industrie en Economie) sprak er schande van dat de top van Alstom met de Amerikanen had onderhandeld zonder het Elysée in een vroeg stadium te informeren. Hij ging voorbij aan het simpele feit dat Alstom een beursgenoteerde onderneming is zonder een staatsaandeel.

Montebourg zinspeelde hardop over een Frans-Duitse combinatie met concurrent Siemens. Dat heet in zijn vocabulaire dan meteen een ‘Europese’ kampioen. Alstom zou in dit scenario zijn energiedivisie moeten verkopen aan Siemens en zelf van Siemens de transportdivisie kopen. Twee kampioenen voor de prijs van één.

Inmiddels is duidelijk dat dit scenario, als het al levensvatbaar is, in elk geval niet snel en soepel in de praktijk kan worden gebracht. GE houdt het voordeel, het bedrijf heeft al een concreet bod gedaan ter waarde van ruim 12 miljard voor de aandelen van de energiedivisie, in contanten bovendien. Daar houden beleggers van. Dit bod en de industriële logica van de Frans-Amerikaanse combinatie hebben ook duidelijk de instemming van Alstoms directievoorzitter Kron.

De overnamestrijd is echter nog niet gestreden. Alstom heeft in een politieke geste de finale besluitvorming uitgesteld tot eind mei. In de tussentijd kan Siemens een tegenbod doen op basis van dezelfde informatie die GE kennelijk heeft gehad. Deze ‘onthaasting’ valt te billijken, tenslotte weten de aandeelhouders die het laatste woord moeten hebben niet wat er nog in het Duitse vat zit.

Toch kunnen nu al twee conclusies worden getrokken.

De eerste is dat de Franse staatsmacht-reflex bij transacties van pri-vate bedrijven wel luidruchtig is, maar geen blokkade betekent. Dat laatste is positief. Frankrijk verkeert in een indrukwekkende economische malaise, waarin de regering grote kapitaalkrachtige buitenlandse investeerders dringend nodig heeft. Of het nu Amerikanen zijn of Duitsers.

De tweede conclusie is dat, welke transactie ook uit de bus komt, de Europese Commissie hier een diepgaand onderzoek moet doen naar eventuele belemmering van de concurrentie. Het concept van nationale of Europese kampioenen komt steevast uit een politieke koker. Politici gaan daarin gemakkelijk mee met imperiumbouwers die de concurrentie, en daarmee de belangen van de consument, eerder hinderen dan bevorderen. Europa doet er goed aan voor één kampioen te kiezen. De consument.