Melissa Gordon maakt kunst die niet goed mag zijn

Melissa Gordon, Material Evidence (Table), (2014, acryl op doek, 85 x 95 cm)
Melissa Gordon, Material Evidence (Table), (2014, acryl op doek, 85 x 95 cm) Courtesy Juliètte Jongma

Wie de tentoonstelling ziet van de Amerikaanse Melissa Gordon bij Galerie Juliètte Jongma wordt meteen geconfronteerd met een oude, maar intrigerende vraag: bestaan er ‘lege’ kunstwerken? Schilderijen, beelden, installaties die nergens over gaan, waarvan de betekenis bijna perfect nadert tot nul? Nu is Gordon bepaald niet de eerste die zich de laatste halve eeuw over deze vraag heeft gebogen. In Nederland heb je bijvoorbeeld Rob van Koningsbruggen, die begin jaren zeventig schilderijen vervaardigde door twee beschilderde doeken over elkaar te schuiven. Doordat hij geen zicht, geen echte invloed op het resultaat had, zo redeneerde hij, glipte de betekenis uit zijn werk. Gedachteloze schilderijen. Betekenisloos ook bijna.

Dat gedachteloze is ook de crux bij Gordon. Alle doeken die ze bij Jongma exposeert tonen delen van haar atelier waarbij Gordon heeft ‘ingezoomd’ (vandaar de titel) op interieurdetails waar je normaal nauwelijks acht op slaat: de verfvlekken op de muur, het verfresidu in een emmer, of, al wat betekenisvoller, het stilleven van knipsels en verfresten dat tijdens het werken op tafel is ontstaan – niet voor niets heten de meeste werken Material Evidence. Maar bewijs van wát, vraag je je dan af – en dat is natuurlijk precies waar het Gordon om gaat. De oorspronkelijke beelden die ze aantrof hadden niet of nauwelijks betekenis. Die krijgen ze doordat zij, de kunstenaar, ze heeft gezien, gekozen, gefotografeerd – en door het feit dat Gordon ze heeft gekozen verraden ze iets van haar voorkeuren. Krijgen ze karakter. Maar welk?

Dat is het intrigerende aan Gordons werk: op inventieve wijze laveert ze tussen observatie, fotografie, abstractie en het geven van betekenis, zonder dat ze echt duidelijkheid geeft. Eigenlijk zijn de getoonde schilderijen helemaal niet zo goed, maar hoe langer je kijkt, hoe meer je beseft dat dat vermoedelijk de bedoeling is – als deze doeken goed waren was er blijkbaar compositie en smaak in geslopen, en dat wil Gordon juist vermijden. Maar toch: ze zijn ook niet slecht of willekeurig of ongeïnteresseerd. Maar waar zit ’m dat dan in? Juist door deze dilemma’s zo nadrukkelijk te tonen, nadert Gordon op intrigerende wijze ‘tot nul’: redelijk goede schilderijen, die conceptueel nu juist zijn geslaagd omdat Gordon ze niet beter heeft gemaakt – hallo bent u daar nog? Juist die spanning, dat streven naar onvolmaaktheid, maakt deze doeken fris en de moeite waard.