‘Je mist echt wat zonder groot orgel’

Tot nu toe klonken in ‘authentieke’ Bach-uitvoeringen veelal kistorgels als begeleidingsinstrument. De Bachvereniging keert voor ‘All of Bach’ terug naar de oude kerkorgels.

Organist Leo van Doeselaar achter het klavier van het orgel van de Waalse Kerk in Amsterdam.
Organist Leo van Doeselaar achter het klavier van het orgel van de Waalse Kerk in Amsterdam. Foto’s Olivier Middendorp

Hij kan geen kant op. Leo van Doeselaar, vaste organist van de Nederlandse Bachvereniging, zit ingebouwd achter het orgel van de Martinikerk in Groningen. Op de grond liggen snoeren, naast hem staan een speaker en een beeldscherm. Zo hoort en ziet hij wat er beneden gebeurt.

Dat is nodig ook, want koor, solisten en ensemble van de Bachvereniging spelen vandaag samen met het Martini-orgel. Dat is bijzonder; muziekgezelschappen maken doorgaans gebruik van kistorgels, die je midden in het ensemble op kunt stellen en die gemakkelijk te verplaatsen zijn. „Het is iets wat aan het begin van de oudemuziekrevival fout is gegaan”, zegt Van Doeselaar. „Bach maakte zelf gebruik van de grote kerkorgels. Je mist een heel wezenlijk deel van de barokke klank als je een kistorgel gebruikt.”

De historische orgels vormen een belangrijk onderdeel van het project ‘All of Bach’ van de Nederlandse Bachvereniging. De orgels van de Martini, de Waalse Kerk van Amsterdam en de Oostkerk in Middelburg zullen als begeleidingsinstrumenten worden ingezet bij cantates, concerten en andere werken. „Voor de solo-orgelstukken zullen we ook andere mooie instrumenten gebruiken. Er zullen ook veel andere organisten meewerken. We willen laten zien hoe rijk het Nederlandse orgelbezit is.”

Van Doeselaar (Goes, 1954) is net klaar met het concert. Als hij beneden in de kerk staat, wordt hij aangeklampt door orgelstudenten en bekenden. Iedereen wil hem vertellen hoe goed het klonk. Voller, rijker. „Je hebt een groter scala aan dynamiek”, beaamt Van Doeselaar. „Veel registers (reeksen orgelpijpen met dezelfde klankkleur) die ik in het continuospel op dit orgel gebruik, zitten op de meeste kistorgels ook, maar op een kerkorgel heb je een meer ontspannen klank. Het is een misvatting dat een kerkorgel te hard is om met een ensemble samen te spelen. Het is een totaal andere sensatie.”

De meerwaarde beperkt zich niet tot dynamiek en kleur. Van Doeselaar: „Ik gebruik de zestienvoetspijpen, die veel te groot zijn voor een kistorgel.” En een groot orgel dwingt ook tot ander spel. Van Doeselaar speelt een snelle versiering voor. „Op kistorgel zou dit niet opvallen, maar op het grote orgel hoor je het goed. Als continuospeler heb je veel vrijheid over hoe je de begeleiding invult, soms zijn alleen basnoten voorgeschreven. Op het kerkorgel moet je voorzichtiger zijn, uitkijken dat je niet te kort speelt bijvoorbeeld. Als jij al weg bent terwijl het orkest doorspeelt, klinkt dat heel raar.”

Zijn vingers tippelen over het klavier, zonder dat er geluid komt – beneden wordt de opnamesessie voorbereid. Boven de donkere knoppen van de registers staan namen als ‘Nagthoorn’ en ‘Sesquialtera’. Het orgel is wereldberoemd, iedere organist met interesse voor historische instrumenten wil hier komen spelen. De grote Noord-Duitse orgelbouwer Arp Schnitger (1648-1719) gaf het vorm, maar een deel van het pijpwerk is veel ouder – dat stamt nog uit de vijftiende en zestiende eeuw.

Van Doeselaar is hier pas benoemd tot titulair organist. „Hoorde je die holfluit?”, zegt hij. „Dat is misschien wel mijn favoriete register van alle orgels die ik ooit bespeeld heb! De intensiteit neemt in de hoogte toe en vult de hele kerk met klank.”

De aanpak van de Nederlandse Bachvereniging roept de vraag op: waarom kan het nu wél met kerkorgels en eerder niet? Hebben de grootheden van de historische uitvoeringspraktijk (Gustav Leonhardt, Nikolaus Harnoncourt) steken laten vallen?

Van Doeselaar vindt van niet. Veel orgels die nu in het project worden betrokken, waren in de jaren zestig en zeventig nog niet in de staat die aansloot bij de wensen van de beweging – de meeste instrumenten zijn immers steeds aan de smaak van de tijd aangepast. In veel gevallen was contact tussen de organist en de andere musici nagenoeg onmogelijk. Verschil in toonhoogte en stemming zorgen nog steeds voor problemen.

„In de Thomaskirche in Leipzig, waar Bach werkte, was het niet makkelijk, maar stonden de zangers en musici in ieder geval op de orgeltribune. Onze artistiek leider Jos van Veldhoven vermoedt dat de organist contact hield met de klavecinist, in dit geval waarschijnlijk Bach zelf, die de musici aanstuurde die voor hem zaten. De technische hulpmiddelen stellen ons in staat de situatie na te bootsen.”

Een paar weken na het concert in Groningen zit Van Doeselaar achter het Müller-orgel van de Waalse Kerk in Amsterdam. Hij rekt zich uit om één voor één de registers af te gaan: de quintadeen, de vox humana. „Als organist ben je een soort kok. Elk orgel is een andere keuken waarin je thuis moet raken. Wat zo bijzonder is aan de orgels in Nederland, is dat ze ingrediënten uit allerlei landen hebben overgenomen. Müller was een Duitse bouwer, maar je ziet elementen uit alle omliggende landen terug.”

Bij dit orgel heeft hij geen favoriet register, zegt hij. „De kracht van dit instrument is juist dat al die afzonderlijke kleuren zo mooi zijn. Al zijn die prestanten wel heel bijzonder, hoor. Dat zijn de koolhydraten, de basis van de maaltijd. Dit orgel heeft verse, Hollandse aardappelen, waar je alleen wat boter bij moet doen om ze op smaak te brengen. De fluiten zijn raapstelen… Verfijnde koolsoorten...”

De zon staat op het pijpwerk. Van Doeselaar weet meteen welke registers ontstemd raken. Het gebruik van kerkorgels in de concertpraktijk was een lang gekoesterde wens van de man die ook vaste bespeler is van het Maarschalkerweerdorgel in het Concertgebouw. „Eigenlijk durfde ik het al niet meer voor te stellen, maar ik ben blij dat we hebben doorgezet. Jos van Veldhoven heeft zich er altijd hard voor gemaakt. Bij enkele andere ensembles heb ik het inmiddels ook al een paar zo gedaan.”

Het is een ontwikkeling waar zangers en instrumentalisten hun voordeel mee kunnen doen, denkt de organist. „We zijn tegenwoordig gewend om zachter te gaan zingen op de slotnoten. Terwijl het orgel wel kan uitklinken, maar geen romantisch diminuendo kan maken. Blijkbaar moeten de zangers dat gewoon niet doen.”

En er is meer te leren van het orgel. Neem het vox humana-register, dat de menselijke stem na moet bootsen. „De achttiende-eeuwse muziekcriticus Charles Burney schreef lovend over de vox humana van de Nieuwe Kerk in Amsterdam, volgens hem was er geen register dat zo goed de stem benaderde. Dat register is goed bewaard gebleven, maar het klinkt ontzettend kelig, met zweving, als een Bulgaars vrouwenkoor. Dat wijst erop dat we nu misschien toch meer vibrato zouden moeten gebruiken als we echt trouw willen zijn aan de oude klank. Maar ik weet niet of wij dat met z’n allen nog wel mooi zouden vinden.”