Hoe zeker weten we dat hij het niet nog een keer doet?

De kans op recidive bij Volkert van de G. wordt klein geacht. Dus komt hij morgen vervroegd vrij. In 2003 achtte het Hof die kans nog aanwezig. Hoe vindt onderzoek naar recidiverisico plaats en wat zegt het?

De gevangenis in Zwolle aan de Huub van Doornestraat, waar Van der G. zit.
De gevangenis in Zwolle aan de Huub van Doornestraat, waar Van der G. zit. Foto Novum

Hoe groot is nou het risico dat Volkert van der G. nog een keer in de fout gaat? Dat is maatschappelijk een interessante vraag, maar zeker ook voor Van der G. zelf. Voor hem betekende het antwoord het verschil tussen 12 en 18 jaar gevangenisstraf.

Morgen heeft Volkert van der G. tweederde van zijn straf van 18 jaar uitgezeten voor de moord op Pim Fortuyn, en komt hij voorwaardelijk vrij. Dat is zijn wettelijke recht, en de rechter had die vrijlating maar op een beperkt aantal gronden kunnen weigeren. Als Van der G. zich erg had misdragen in de gevangenis bijvoorbeeld, of bij een groot recidiverisico.

Dat recidiverisico heeft van meet af aan veel aandacht gehad in het geval van Van der G. In het publieke debat werd het gekoppeld aan het schijnbaar ontbreken van spijt – en daarmee van inzicht in zijn daad – en met een eventuele persoonlijkheidsstoornis. Voor de rechter is de kans op herhaling bovendien een belangrijke factor bij het bepalen van de hoogte van de straf.

Pieter Baan Centrum

De onderzoekers van het Pieter Baan Centrum konden indertijd geen uitspraak doen over de kans op herhaling. Ze constateerden wel dat Van der G. een persoonlijkheidsstoornis had – een „obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis” – maar die zou niets met de moord te maken hebben. Omdat dat verband ontbrak, was hun onderzoek, volgens de onderzoekers zelf, geen goede basis voor een uitspraak over recidivekansen. Toch achtte de rechtbank de kans op herhaling in het geval van Van der G. klein.

Daar dacht het gerechtshof in 2003 in hoger beroep anders over. Het hof achtte „de kans aanwezig dat de verdachte opnieuw zijn eigen overtuiging zal volgen en daarbij tot het uiterste zal gaan”. Het hof baseerde dat oordeel op wat was gebleken over het karakter van Van der G. „Hij is star in de bereidheid de uiterste consequenties van zijn denkbeelden te trekken. Hij kan zijn particuliere normen en principes niet opzijzetten.” Volgens het hof heeft Van der G. ook onvoldoende afstand genomen van zijn daad.

Begin dit jaar kwam het recidiverisico weer aan de orde bij de vraag of Van der G. voorwaardelijk vrij kon komen. Het OM heeft de vraag uitzonderlijk uitgebreid laten onderzoeken, en moest toen concluderen dat de kans dat Van der G. weer in de fout zou gaan klein is.

Hoe vindt zo’n onderzoek plaats, en wat is de voorspellende waarde er eigenlijk van?

Bij alle gevangenen die in aanmerking komen voor voorwaardelijk verlof brengen de directeur van de gevangenis en Reclassering Nederland advies uit over het recidiverisico en de voorwaarden voor de vrijlating. Dat gaat om zo’n 8 procent van alle gevangenen, de rest zit te kort (minder dan een jaar) vast voor voorwaardelijke vrijlating.

Recidive-inschatting

De reclassering maakt een risico-inschatting op grond van de Recidive Inschattingsschaal, de RISc, gebaseerd op een Engels model. In wezen is dit een uitgebreide vragenlijst waarin alle voor recidive belangrijke aspecten aan de orde komen, zegt hoogleraar reclassering Peter van der Laan. Zoals waar iemand gaat wonen, welk sociaal netwerk hij heeft, hoe hij aan zijn geld zal komen, de lengte van zijn strafblad. „Prima bruikbaar”, zegt Van der Laan. Soms gebruikt de reclassering aanvullende methoden, bijvoorbeeld als iemand erg gewelddadig is, of sterk verslaafd.

Er is uitgebreid onderzoek gedaan naar de voorspellende waarde van de RISc. De uitkomsten zijn acceptabel, zegt Van der Laan, met uitzondering van bepaalde categorieën daders, zoals veelplegers, zedendelinquenten en first offenders. „In hoeverre RISc werkt voor adviezen in het kader van voorwaardelijke invrijheidstelling, weet ik niet. Ik ken geen onderzoek waarin wordt bijgehouden hoe vaak iemand recidiveert in de periode dat de voorwaarden gelden, en vervolgens opnieuw wordt vastgezet. Maar mijn indruk is dat het weinig voorkomt.”

Deze methode is maar beperkt bruikbaar bij „specifieke misdrijven”, zegt Van der Laan: de hoogst uitzonderlijke misdrijven die anders dan ‘doorsneemisdrijven’ geen verband lijken te houden met problemen in werk, geld, verslaving of gezin. Zoals in het geval van Van der V. Dan is nader onderzoek aangewezen door forensisch psychologen of psychiaters.

Van der G. is begin dit jaar onderzocht door onderzoekers van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP). Dat komt zelden voor bij gevangenen zonder tbs die voorwaardelijk vrijkomen, zegt Peter van Panhuis. Hij werkt al dertig jaar als forensisch psychiater en was tot begin dit jaar voorzitter van de Vereniging van pro justitia Rapporteurs – de psychiaters en psychologen die verdachten onderzoeken ten behoeve van het strafproces.

Zulk onderzoek vindt bij ernstige delicten wel vaak plaats aan het begin van het strafproces, om vast te kunnen stellen of iemand toerekeningsvatbaar is. En als gevangenen een tbs-maatregel krijgen, wordt ieder verlof en uiteindelijk de vrijlating op deze manier beoordeeld.

Risicotaxatie

De wijze waarop in zulke onderzoeken het recidiverisico wordt beoordeeld, is afgelopen jaren sterk ontwikkeld, zegt Van Panhuis. „Eerst was het: die is schizofreen, dus die is gevaarlijk. Dat bleek niet te kloppen. Daarna kwam er een meer gestructureerde risicotaxatie, gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, waar ook weer nadelen van zijn gebleken. Nu wordt zoveel mogelijk geprobeerd de uitkomsten van zulk gestructureerd onderzoek te combineren met het klinisch oordeel bij een evaluatie van de behandeling.”

Omdat Van der G. geen tbs-maatregel is opgelegd, is er over hem geen klinische informatie voorhanden – hij is immers niet behandeld. Toch hoeft dat volgens Van Panhuis niet te betekenen dat er geen goed onderzoek kan plaatsvinden. „Er was al eerder uitgebreid onderzoek gedaan, en zeker als Van der G. heeft meegewerkt, kan er gestructureerd worden gekeken naar gedrag.” Ook Van Panhuis maakt een kanttekening bij de voorspellende waarde van onderzoek in het geval van Van der G.: „De kennis waarop dit soort recidiveonderzoek gebaseerd is, komt uit de gewone psychiatrie en is getest op tbs’ers. De methode blijkt redelijk te voorspellen. Maar zo’n daad als van Van der G. is zo specifiek in zijn planning en voorbereiding, dat die met standaard onderzoeksinstrumenten moeilijk te beoordelen is.”

De onderzoekers van het NIFP concludeerden in ieder geval dat de kans klein is dat Van der G. recidiveert. Dat schreef staatssecretaris Fred Teeven (Justitie, VVD) vorige maand aan de Tweede Kamer. En daarmee maakten zij de weg vrij voor de vrijlating van Van der G., morgen.