Er is altijd ruzie over twee minuten stilte

Christenen, joden, islamieten, veteranen – diverse belangengroepen willen bepalen wie of wat wordt herdacht op 4 mei. Wie heeft het laatste woord?

Een joodse organisatie protesteert boven Vorden tegen aandacht voor gesneuvelde Duitse soldaten. Op 4 mei 2012 werden ze toch op de begraafplaats herdacht.
Een joodse organisatie protesteert boven Vorden tegen aandacht voor gesneuvelde Duitse soldaten. Op 4 mei 2012 werden ze toch op de begraafplaats herdacht. Foto ANP

4 mei, 20.00-20.02 uur. De twee intiemste minuten die Nederlanders in het openbaar belijden. Op een volle Dam – teruggeworpen op je allerpersoonlijkste gedachten over oorlogsdoden.

Maar hoe vrij ben je eigenlijk om te bepalen wie en wat je herdenkt? Talrijke maatschappelijke organisaties proberen de invulling van Dodenherdenking te beïnvloeden – gevraagd en ongevraagd. ‘Niet de daders herdenken, s.v.p. – wél de Nederlandse oorlogsdoden ná 1945 alstublieft’. Het Nationaal Comité 4 en 5 mei neemt dat soort verzoeken serieus: het comité is bezig de herdenking van 4 mei te ‘herijken’. Eind dit jaar moet er een nieuwe ‘beleidslijn’ liggen voor de periode 2016-2020.

En dus wordt er gelobbyd om de stilte. Via stille én luide diplomatie – inclusief onderlinge strijd.

Zo probeert het Caïro-overleg – een bundeling van christelijke, joodse en islamitische organisaties – al enkele jaren invloed te laten gelden. Drie punten zijn bij de Dodenherdenking belangrijk, maakte het overleg eind 2012 al duidelijk: herdenking van de slachtoffers en niet van de daders; expliciet noemen van de Joden, Sinti en Roma bij de kranslegging; en beperken van ‘4 mei’ tot de periode 1940-1945. Die essentie dreigde te verwateren, aldus ‘Caïro’. Op de Dam was op 4 mei 2012 bijvoorbeeld bijna een scholierengedicht voorgelezen over een oudoom die bij de Waffen-SS was gegaan. Het Nationaal Comité 4 en 5 mei trok het gedicht een week voor de Dodenherdenking terug, na ophef.

Dit jaar dreigde onenigheid tussen Caïro en militaire veteranen. Die waren juist vóór het includeren van militaire slachtoffers van ná 1945: dat verleent de Nationale Herdenking op de Dam „een vorm van actualiteit”. Minister van Defensie Hennis (VVD) sloot zich bij dat standpunt aan.

Het Caïro-overleg raakte intussen verdeeld over het herdenken van slachtoffers na 1945, en maakte van de nood een deugd. Het formuleerde, sámen met de veteranen, een herdenkingsopdracht aan het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Resultaat was een ‘breed gedragen’ tekst, ook ondersteund door een handvol andere Joodse organisaties, door Sinti en Roma, door een imam en rabbijn van de landmacht. Die tekst luidt, kort gezegd: we herdenken de Nederlandse doden van ’40-’45 en noemen de Joden, Sinti en Roma expliciet. Ook herdenken we de Nederlanders die na 1945 stierven in oorlogssituaties en vredesmissies. En – van meet af aan een belangrijk punt van het Caïro-overleg: we herdenken de slachtoffers, niet de daders.

Over het niet-herdenken van Duitsers speelt zich nóg een strijd af. Federatief Joods Nederland (FJN) van advocaat Herman Loonstein voert fel campagne tegen het herdenken van omgekomen Duitse militairen tijdens de Dodenherdenkingen op 4 mei. FJN is een kleine belangenorganisatie, geworteld in de familie Loonstein, erg bekend in Joodse kringen.

Het begon in 2012 met twee tips die op Loonsteins kantoor binnenkwamen. In Vorden zouden ook Duitse militairen herdacht worden op 4 mei. FJN spande een kort geding aan om dat te voorkomen, en won. Burgemeester en wethouders mochten tijdens de herdenking de Duitse gevallenen – die ook op de begraafplaats liggen – niet eren. Herdenking van dode Duitse soldaten, zei de kortgedingrechter, kan „passend” zijn, „maar niet op 4 mei en niet in één adem met de herdenking van slachtoffers van het nazibewind”.

Een jaar later werd de uitspraak in hoger beroep verworpen. Gemeenten moeten volgens de rechter vrij zijn hun dodenherdenking in te vullen. „Pijnlijk”, zei Loonstein.

Toch blijft FJN strijden tegen ‘Duitse’ herdenkingen, met nog altijd – als het zo uitkomt – de uitspraak van de kortgedingrechter in de hand. Deze week ageerde het in een brief aan de gemeente Schiermonnikoog tegen het spelen van het Duitse volkslied tijdens dodenherdenking. „Kan niet aan de orde zijn op uw eiland”, schrijft Loonstein, waarna hij verwijst naar de kwestie-Vorden. Het is op Schiermonnikoog al jaren gebruik de volksliederen te spelen van alle acht nationaliteiten die zijn vertegenwoordigd op drenkelingenbegraafplaats Vredenhof. De burgemeester zegt later deze week met een reactie te komen.

Succes had Loonstein dit jaar in het Brabantse Landerd. Daar werd de onthulling van een monument voor een omgekomen Duitse piloot op 4 mei geschrapt na een waarschuwingsbrief van FJN. Herman Loonstein stuurde meteen een persbericht: „De Nationale Dodenherdenking is en blijft voor de slachtoffers, niet voor de daders.”

De methode-Loonstein is simpel: na een tip over Duitse ‘elementen’ bij Nederlandse dodenherdenkingen of uitzoekwerk door zijn organisatie, schrijft hij een brief aan het betrokken gemeentebestuur. Als de gemeente geen gesprek wil aangaan of niet reageert, spant FJN een kort geding aan om het herdenken van Duitsers te voorkomen. Dat gebeurde tot dusver alleen in Vorden.

Wat betekent dit nu voor de twee minuten stilte? Het Nationaal Comité 4 en 5 mei is duidelijk: gemeenten gaan over lokale herdenkingen. Maar in de praktijk zwichtten sommige dus onder druk van Loonstein. Zijn invloed en die van Caïro op de herdenking op de Dam is moeilijker meetbaar. Feit is dat het Nationaal Comité zich sinds de ophef over het scholierengedicht van 2012 explicieter uitspreekt tégen herdenking van daders. De herdenkingsopdracht die Caïro en de veteranen formuleerden beschouwt het comité als „een belangrijk en serieus signaal”.

Heeft die lobby inderdaad succes, dan weten we wat ons te doen staat, tijdens onze twee intieme minuten op de Dam: niet denken aan gesneuvelde daders, en niet alleen aan de Tweede Wereldoorlog.