Een pluim voor mode met veren

Foto Roger Vivier/ Momu

De zwarte collectie had nog steeds haar kenmerkende, stoere stijl. Maar er ontbrak ook wat in de modeshow, onlangs, voor het najaar 2014 van Ann Demeulemeester, de eerste zónder Demeulemeester, die afgelopen najaar de mode vaarwel zei. De veren. De, zoals ze ze zelf omschreef „vrij eenvoudige pluimen”, van duiven, eenden en hanen. Vastgemaakt aan kleding, als hanger gedragen aan een leren koord of verwerkt in een haarsieraad zorgden die voor een groot effect: wild en tegelijk lieflijk. De afwezigheid daarvan zorgde ervoor dat de collectie kaler aanvoelde.

In het ModeMuseum in Antwerpen staan in een erezaaltje nu een aantal ontwerpen met veren van Demeulemeester opgesteld, waaronder een kogelhouder die is gevuld met veren, en een spectaculair jasje dat helemaal is bedekt met een vlechtwerk van geverfde veren. De opstelling maakt deel uit van Birds of Paradise, een expositie die is gewijd is het gebruik veren in de mode. Een simpel uitgangspunt dat een veelzijdige en bijzondere tentoonstelling heeft opgeleverd, waarvoor is samengewerkt met het Parijse Lemarié, een van de laatste in veren gespecialiseerde ateliers.

Veren in de mode hebben een lange geschiedenis; al in de Middeleeuwen werden hoeden versierd met veren, en in de zestiende eeuw raakten aan Europese hoven waaiers in trek met veren van de toen zeldzame en kostbare pauwen- en struisvogelveren.

Op kleding worden veren eigenlijk pas sinds de twintigste eeuw veel gebruikt, in het begin vooral bij kostuums voor film. Veren waren glamorous, licht, dierlijk dus spannend, en creaties met veren bewogen sensueel mee met de draagsters; een uitstekende manier om een erotisch effect te krijgen zonder dat daarvoor bloot aan te pas hoefde te komen. Een van eerste couturiers die experimenteerden met veren op kleding was Coco Chanel; een met hanenveren bezette cape uit 1925 is opgesteld in het MoMu.

Na de Tweede Wereldoorlog werden veren heel populair in de mode, zij het doorgaans mode voor heel speciale gelegenheden; voor dagelijks gebruik is de veer nooit verder gekomen dan een randje decoratie aan bijvoorbeeld een bedjasje, of als sieraad of decoratie op een hoed.

Er is in Antwerpen een hoop indrukwekkend modedrama te zien: een witte zwanendonsjas uit de nalatenschap van Marlene Dietrich, waarvoor veren van 300 (!) zwanen zijn gebruikt en die van afstand op een bontjas lijkt. Een prachtige, theatrale zwartezwanenjurk van ganzenveren van Alexander McQueen, die veren gebruikte om „de schoonheid van vogels op vrouwen over te brengen”. Een zwarte strapless jurk van Thierry Mugler, met aan de achterkant twee gigantische, van gekleurde veren gemaakte vlindervleugels. Maar, en dat is misschien nog wel het verrassendste aspect van de tentoonstelling, veren kunnen ook abstract worden gebruikt, zoals bij een jurk van Marc Jacobs voor de najaarscollectie 2013 van Louis Vuitton, waarop met stukjes veren een ingetogen, grafisch bloempatroon op is aangebracht. Bijzonder om te zien is ook hoe Yves Saint Laurents verengebruik gedurende zijn carrière veranderde. De korte jurken met speelse, opwippende veren randen uit de jaren zestig benadrukken de pas verworven vrijheid van vrouwen – jurken als blije, vrije vogels. De capes van groen-zwarte hanenveren die hij aan het einde van zijn loopbaan maakte lijken vooral zijn eigen somberte te verbeelden. Ze maken van vrouwen roofvogels met dichtgevouwen vleugels; gesloten, donker, onheilspellend.