Een Italiaan gaat nooit naar de chinees

Italianen hebben een afwijking, een malattia. Dat zeg ik niet, dat zegt Stefano Triulzi. Ze vinden altijd dat ze het zelf het beste doen, maken of bereiden. Niet alleen vergeleken met het buitenland, maar ook met de naburige streek of de volgende grote stad. De lokale tradities zijn zo sterk, dat het voor een Italiaan uit Umbrië – nog geen honderd kilometer van Rome – die in een Romeins restaurant uit eten gaat, net is alsof hij naar de Chinees gaat.

Naar de Chinees zullen ze al helemaal nooit gaan, want daar serveren ze alles tegelijk. En daar worden Italianen – met hun anti-pasti, primi, secundi etc. – heel zenuwachtig van. Alweer: de woorden van echte Italianen, in de bergen van Toscane. Stefano is de eigenaar van een verlaten dorp aldaar, Borgo di Gello. Tussen de ruïnes wordt deze zomer een oude boerderij omgetoverd tot een pop-up Bed & Breakfast. Het heet Novanta, omdat het precies negentig dagen open is (juni, juli, augustus). Je kunt er meer dan alleen ontbijten, maar omdat er geen restaurantvergunning is, moeten alle gasten dagelijks een symbolische kookhandeling verrichten. En koken gebeurt natuurlijk uitsluitend met hyperlokale producten. Behalve de olijfolie. Want die maakt Stefano op zijn boerderij in Umbrië, een provincie verderop. Maar laat dat de Toscanen niet horen.

Stefano maakt daar ook limoncello. En dat kun je alleen maar maken van die grote (twee vuisten dik), biologische citroenen van de costiera almalfitana, in Salerno. Die mogen dan wel weer van verder komen, want citroenen uit Noord-Italië dat is natuurlijk onzin. Dat weet toch iedereen.

Haal de schil van de citroenen, zorg dat je het wit niet meeneemt, dat is bitter. Laat de citroenschillen veertig dagen trekken in de alcohol.

Om een limoncello te krijgen met ongeveer 30 procent alcohol: los de suiker op in twee liter water. Wil je de limoncello minder sterk hebben, doe er dan meer water bij.

Meng de alcohol (zonder de schillen) met het suikerwater en laat in een afgesloten pot zes maanden rijpen op een donkere plek, bij voorkeur in de kelder