De ‘mooiste tuin van de wereld’ is maar 1 dag open

Landschapsarchitect Charles Jencks vertelt over de fantastische tuin die hij bij zijn huis in Schotland maakte, vol geheime doorgangen en zigzagtrappen. Eén dag per jaar is die te bezoeken: dit jaar op zondag 4 mei.

Blik op The Garden of Cosmic Speculation op het Schotse landgoed Porack House van Charles Jencks.Foto Hollandse Hoogte/Jane Barlow
Blik op The Garden of Cosmic Speculation op het Schotse landgoed Porack House van Charles Jencks.Foto Hollandse Hoogte/Jane Barlow

‘Ben je er een beetje op gekleed?”, vraagt Charles Jencks terwijl hij naar mijn gympies kijkt. „Het heeft vanochtend geregend. De tuin kan drassig zijn.” De Amerikaanse ontwerper, theoreticus en architect, die sinds de jaren tachtig op een landgoed in Schotland woont, draagt groene kaplaarzen over zijn nette pak. Vanaf het bordes wijst hij met zijn wandelstok de contouren aan van zijn twaalf hectaren tellende domein. Felgroene, versgemaaide grasweides liggen aan onze voeten. In de verte schiet een trein voorbij. Daarachter liggen, zo ver het oog reikt, de donkerblauwe heuveltoppen van de Scottish Borders.

The Garden of Cosmic Speculation, zoals Charles Jencks (Baltimore, 1939) zijn landgoed iets ten noorden van het Schotse Dumfries gedoopt heeft, is één van de mooiste tuinen ter wereld. Het is de vreemdste, origineelste en uitzinnigste tuin die ik ooit gezien heb. Omdat Jencks het hele universum erin wil vatten, inclusief zwarte gaten en DNA-helixen. Zijn tuin is een microkosmos, zegt hij. „De dichter William Blake zei het al: als je de wereld ziet in een zandkorrel, dan vind je de relatie tussen het grote en het kleine, tussen wetenschap en spiritualiteit, tussen het universum en het landschap.”

Eén dag per jaar is The Garden of Cosmic Speculation geopend voor het publiek, op de eerste zondag in mei. Bezoekers mogen vrij dwalen door de bossen en velden, langs kassen, meren, watervallen en over de vele bruggetjes en grasterpen. De opbrengst van de entree gaat naar de Maggie’s Cancer Caring Centres, de kankercentra die Jencks samen met zijn – inmiddels overleden - eerste vrouw Maggie Keswick heeft opgericht.

Modder en aarde

Portrack House was oorspronkelijk eigendom van Maggie Keswicks ouders – het portret van Jencks’ schoonmoeder hangt nog pontificaal in de hal. In 1988 kwamen Jencks en Keswick er te wonen, en begonnen ze samen met het kneden van de heuvels en de valleien. Het was Maggie’s idee, vertelt Jencks, om een stuk moeras dat vol zat met muggen, uit te graven tot een speelvijver voor de kinderen. „We huurden een plaatselijke aannemer met een bulldozer, en waren verbaasd hoe gemakkelijk je het landschap met behulp van wat graafmachines kon vormgeven.” Met de modder en aarde die uit het moeras kwamen, bouwde Jencks terpen die de glooiingen van de omringende heuvels echoën. Zo ontstonden Jencks’ eerste ‘landforms’, de vorm van landschapsarchitectuur die inmiddels zijn handelsmerk is geworden.

De Snail Mount, één van de terpen die Jencks in 1990 schiep, is inmiddels begroeid met een strak gemaaid gazon. De vorm van de heuvel doet denken aan een slakkenhuis, maar ook aan Tatlins scheve toren uit 1919 en aan Spiral Hill (1971), de spiraalvormige heuvel die Robert Smithsons bij Emmen liet bouwen. De meertjes aan de voet van de heuvel lijken gestileerde krullen, als de ‘swoosh’ van sportmerk Nike. „Deze tuin is een landschap van golven”, legt Jencks uit. „Er zijn golven in de beplanting, golven in de contouren van de heuvels, golven op de tennisbaan. De wetenschap vertelt ons dat alles in het universum uit golven en deeltjes bestaat. Dankzij de computertechnologie kunnen we nu de complexiteit van golfbewegingen in kaart brengen. Uit die modellen put ik mijn inspiratie. Wat gebeurt er als je met een stok door olie roert? Dat fascineert mij.”

Smaak, geur en tast

Toen Maggie in 1995 overleed, twee jaar na de diagnose kanker, was Jencks vastberaden hun levenswerk voort te zetten. „Zij werd mijn muze, en in mijn hoofd bleef ik levendige discussies met haar voeren.” Hij wijst op een golvende muur rondom de kruidentuin. „Daar hebben we veel over gekibbeld. Zij wilde baksteen, ik natuursteen.” Hoe hij hun ideeën in de jaren na haar dood tot uitvoer bracht, beschrijft Jencks in zijn ontroerende boek The Garden of Cosmic Speculation (2005). „Tuinkunst is een genre dat dicht bij de autobiografie ligt”, schrijft hij. „Omdat het jaren kost om het af te krijgen, en de gebeurtenissen in je leven ermee verweven raken.” De kruidentuin, die Maggie de Garden of Common Sense had genoemd, is het meest klassieke deel van het landgoed. In zes vierkante perken, gescheiden door keurig geschoren heggetjes, plantte Jencks groenten en kruiden die met de zintuigen te maken hebben: aardbeitjes voor de smaak, tijm voor de geur en distels en lamsoor voor de tastzin. Inmiddels heet dit deel van de tuin de DNA Garden of the Six Senses.

Tegelijkstaat ieder segment symbool voor een biologische cel. Jencks: „Mijn cellen zijn weliswaar vierkant, maar ze vormen toch een soort patroon van het leven. Iedere cel heeft een celwand, namelijk een buxushaag, en in de kern van iedere cel zit het DNA – een aluminium sculptuur van een dubbele helix.” Hij wijst op een stuk van de tuin waar sedum wild is gaan woekeren. „Maar deze cel heeft een probleem. Hij sterft af, er ontstaat kanker.” Zo heeft ieder plantje, iedere sculptuur, wel vier of vijf onderliggende betekenissen. Maar, zegt Jencks geruststellend: „Je hoeft niet alles te snappen om de tuin te kunnen ervaren.”

Wandelend langs de geurige en stekelige kruiden ontdek je onder je voeten vreemde voorwerpen die in het betonpad zijn gedrukt: een mobieltje, een walkman, een kurkentrekker, een handventilator. Samen vormen de objecten woordgrapjes en rebussen. De ventilator - ‘fan’ – is bijvoorbeeld de eerste lettergreep van het woord ‘fantastic’. Jencks is ook dol op ambigrammen, vertelt hij, woorden die je bijvoorbeeld ook op hun kop of achterstevoren hetzelfde blijven. Hij heeft ze gebeiteld in de traptredes en gesmeed in de hekwerken van zijn tuin. „Als je er veel tijd in steekt, kun je letters martelen tot ze andere letters worden”, lacht hij.

Overal in The Garden of Cosmic Speculation zijn foefjes, grapjes, gekkigheden verstopt. Er zijn geheime doorgangen, zigzaggende trappetjes die uit een prent van Escher lijken te komen, en hekken waarin uurwerken tikken. Langs de spoorbaan maakte Jencks een Rail Garden of Scottish Worthies, met namen van Schotse grootheden - James Watt, Robert Burns, Walter Scott - die uit rechthoekige platen staal zijn gesneden. Als de trein van Londen naar Glasgow voorbijsnelt, is het net of hun namen als wagons worden voortgetrokken. „De trein van de vooruitgang”, noemt Charles Jencks die karavaan.

Gevecht met de natuur

We lopen langs Black Hole Terrace, een waanzinnig zwart-wit geblokt terras dat in een oneindige diepte lijkt te verdwijnen. „Ooit stond in het midden een boom”, vertelt Jencks. „Maar die is tijdens een winterstorm in het zwarte gat verdwenen. Dat is het mooie van de natuur. Je kunt het nog zo goed ontwerpen, maar als de natuur andere plannen heeft, sta je als schepper machteloos.”

Vindt hij het erg dat de tuin erodeert? „Ja en nee. Ik vind dat je met de natuur in gevecht moet gaan, maar er ook mee moet samenwerken. Het zou stom zijn om te zeggen dat de natuur altijd wint. Ik bestudeer catastrofetheorieën. En het toeval wil dat wij een catastrofale instorting hadden in de tuin. Alistair Clark, de hoofdtuinman, zei: laten we het weer herstellen. Toen zei ik: nee, wij hebben onze zet gedaan, toen heeft de natuur haar zet gedaan. Nu accepteer ik de instorting. Er groeit van alles daar. Niet wat ik gepland had, maar dat is de natuur. Aan de andere kant: een tuin is een kunstmatige creatie. Cultuur is kunstmatig. De trein die door de tuin raast, als een indringer, een machine, kan ook heel mooi zijn. Die schudt je wakker, iedere twee uur.”

Wat hij vooral probeert, zegt Jencks, is met zijn tuin een nieuwe taal te ontwerpen voor abstracte begrippen waar niemand zich nog een voorstelling van kan maken. „Hoe ziet een zwart gat of de geboorte van het universum eruit? Dat is speculatie. De wetenschap komt vaak met slechte metaforen als ‘donkere materie’, ‘zwarte gaten’, de ‘big bang’. Wetenschap vervreemdt je van de natuur. We weten nog niet eens hoe een waterstofatoom eruitziet, het meest basale atoom in ons universum. Ik probeer alternatieve beelden te verzinnen. Want dat is, uiteindelijk, wat kunstenaars doen: visuele metaforen bedenken.”